Aankoop buitenplaats Oog in Al

Het is dit jaar precies honderd jaar geleden dat de gemeente Utrecht in 1918 de buitenplaats Oog in Al kocht van de laatste bewoner Pieter Hendrik van den Broeke. Het landgoed bestond toen ondermeer uit de buitenplaats, een koetsiershuis, weilanden, boomgaarden, stallen en een ‘menagerie’ (kleine dierentuin). Alles bij elkaar zo’n 20 hectare groot.

Bovenstaande foto is uit 1921. Met linksonder de Munt en daarboven rechts het landgoed Oog in Al met een nog aan te leggen park en de eerste tekenen van een stratenplan.

Het terrein van de buitenplaats Oog in Al in kaart gebracht met wegen, sloten en bebouwing, opgemeten en opgetekend door dhr Rieder op 24 december 1919. Met de Leidsche Rijn in het zuiden en de Groeneweg (later Everard Meijsterlaan) in het Noorden. Rechts onder huis Oog in Al met de theekoepel. Binnen het terrein Oog in Al lag linksonder huis Rhijnlust met eigen afgebakend terrein. HUA 216715

De gemeente kocht deze buitenplaats met tweeërlei doel. Allereerst had de gemeente plannen voor een nieuw openbaar park aan de westkant van de stad. Dit als compensatie voor het verdwenen park Nieuweroord dat opgeofferd was voor de bouw van het nieuwe  kantoor van  de Spoorwegen aan het Moreelsepark. Daarnaast zag de gemeente kansen voor uitbreiding aan de westkant van de stad in de vorm van een ‘’tuinwijk.” Woningen met tuinen en voortuinen. Een derde van het landgoed zou park worden en tweederde was bestemd voor de bouw van ruime middenstandswoningen.

De buitenplaats was in 1664 gebouwd in opdracht van Everard Meyster (1617- 1679) die tot dan toe afwisselend in Amersfoort en Utrecht woonde. Hij was dichter maar zat ook  in het stadsbestuur waar hij opkwam voor de belangen van bewoners. Meyster was een rijk man en maakte veel reizen door Europa.

Portret van Everard Meyster uit 1650. Titel: “Hier sweemt ’t gedaent in print, sijn schrijvens geeft in druck; / In oeffening van all’s een Meysters meester-stuck. / S.G.” Kopergravure van Cornelis van Dalen HUA 31971

Het huis Oog in Al van Meyster was ‘’zeven ramen breed’’ en ondiep en had twee verdiepingen. Het huis was gericht naar de stad en niet zoals gebruikelijk naar de Leidsche Rijn.

Op deze plek had hij mooi zicht op de stad, vooral vanuit zijn theekoepel aan de rand van het landgoed. In zo’n theekoepel kon je je mooi terugtrekken en door de hooggeplaatste vensters kon je goed naar buiten kijken zonder gezien te worden. Op de oorspronkelijke theekoepel stond een beeldje van Meyster: een mannetje met verrekijker dat tuurt in de richting van de stad.

Meyster was groot voorstander van de westelijke uitbreidingsplannen van burgemeester Hendrik Moreelse en deze kon hij zo goed in de gaten houden. Dit verklaart de naam die hij aan zijn buitenplaats gaf: Oog in Al, zicht op alles, zicht op de stad en op zijn omgeving.

Zicht op de stad en zijn omgeving in 1718 vanaf ongeveer hoogte Oog in Al. Titel: “UTRECHT, of Trajectum ad Rhenum: te sien van / omtrent de Leidsche vaart.” Prent van Daniel Stopendaal, HUA 36209

Meyster ontwierp zelf een paar jaar na Moreelse een nog veel ambitieuzer plan voor stadsuitbreiding. Hij liet een pamflet drukken met zijn ideeën :Utrecht op zijn schoonst en sterrkst. Een bekende landmeter tekende er een kaart bij. De stad werd in deze plannen sterk vergroot en kreeg een ovale nieuwe vestingmuur. Daarbuiten tekende hij een strook open ‘weij en waaterland”. Verder had hij plannen voor een haven en een kanaalverbinding met de Zuiderzee. De plannen van zowel Moreelse als van Meyster bleven vooral plannen.

Uitbreidingsplan Van Everard Meyster uit 1670. Weergave van de bestaande stad met stratenplan en bebouwing en de ontworpen uitbreiding rond de stad met grachten, wegen, bouwkavels, een nieuwe omwalling en een haven. Linksboven het wapen van provincie Utrecht, rechtsboven het wapen van de stad Utrecht. Titel: ” DE NIEUWE PLATTE GROND KAART VAN UIT-RECHT OP ZYN SCHOONST EN STERRKST/ANNO 1670″ Opschrift: opschrift “Wat Baet Het Bril aenbien/Als men dogh niet wil “Zien” Kaart gemaakt door A. Winter en B. de Roy. HUA 214182

Everard Meyster heeft tot aan zijn dood in 1679 op de buitenplaats Oog in Al gewoond en ligt begraven in de Dom. Blijvend is zijn naam aan de wijk verbonden door de Everard Meijsterlaan en sinds een aantal jaren ook door Meyster´s Buiten het nieuwe wooncomplex bij de Cereolfabriek.

Voordat Meyster er zijn buitenplaats bouwde was deze grond  ‘’gelegen tussen de Ouden Rijn en Goudse Dijk’’ ondermeer eigendom van het kapittel van St. Marie (de voormalige Mariakerk op de Mariaplaats). In dit gebied, de stadsweide Hoge Weide graasde vee.

Na Meyster heeft mr. Adriaen Assenborgh, kanunnik van het kapittel St. Marie van 1781 tot aan zijn overlijden in 1794 in huis Oog in Al gewoond.

Portret uit 1792 van A. Assenborgh, geboren 1725, kanunnik van St. Marie, sedert 1781 bewoner van het huis Oog in Al aan de Leidsche Rijn, overleden 1794. Opschrift: “Die Jan tot Raader kiest / volgt zyn geleide alleen: / kan iemand teffens rechts / en lings gaan: immers neen. / adde l. 10 pr. D, de just & jure.” Een prent van J. Kobell naar een tekening van W. van de Wall. HUA 103900

Na zijn dood wordt de buitenplaats ‘’mitsgaders aanhorige weilanden’’ met als locatie  ‘’aan de Lydsche Vaart en agter aan de weylanden’’ verkocht aan Huybertus Jongeneel. Het betrof de woning, het koetshuis, stallen en de paardenmanege. Jongeneel wijzigt de naam van het landgoed Oog in Al in  buitenplaats Rhuimsight!

Bij deze verkoop  werd  de buitenplaats in 1794 als volgt omschreven:

Een extra plaisante Buitenplaats genaamd Oog in Al …..aan de Noordzijde van Leidse Vaart, een quartier gaans van Utrecht…. Met eene fraaije en zedert weinig jaaren nieuw getimmerte Heeren Huizinge […] ruim uitzigt op het Voorplein en over de Leidse Vaart op den Ry- of Zandweg, ende daaragter gelegen Bouwlanden;[…] op het Plat van het Dak, alwaar gevonden word eene Belle-Vue over de geheele Plaats, op en over de Leidse Vaart, rondom gelegen Bouw- en Weilanden en op de voorgeschreeve Stad en met een schoone ruime zeskante Steene Koepel […] welke op den uithoek aan de Leidse Vaart, mitsgaders Ry, of Zandweg, op de Catharijne Poort der gemelde Stad; een ruime Styger aan de Vaart, en een dito agter de Plaats, waar van men zyn uitzigt heeft op de Weilanden tot dit perceel behoorende; een ruime Tuynmans Wooning, met zyn Zolder en Kelder, spatieus Koetshuis met zyn vaste Tuygenkast en Stalling voor 6 Paarden nevens een ruime Hooyzolder[…] alles meede zedert weinige jaaren nieuw getimmert; eene schoone Menagerie, een Tempel en een Bad, een Schuit of Jagthuis, vier Loodsen of Schuuren, een Persikke en Druivenkast en de nodige Kribben tot Broeyerye, een Goud Viskom, een Fontein, aangenaame Laanen en met Plantsoenen overdekte Aleës, Broey en Moestuinen, in welken gevonden worden de exquiste Vrugtboomen van allerhande soort: en met de verdere Bepotingen en Beplantingen, mitsgaders aanhoorige allerbeste Weilanden daar rondom gelegen; alles belend ten Zuiden de Nieuwe leidse Vaart[…]

 Aan het begin van de 19-e eeuw komt de familie Delbeek in het huis wonen. Zij laten het huis in 1833 uitbouwen met een half ronde erker aan de zuidkant. Zoontje Pieter Delbeek mag hier een steen metselen. In 1840 wordt er aan de voorkant (noordzijde) een rechthoekige salon respectievelijk biljartzaal en eetkamer aan het huis gebouwd. Vader J.C. Delbeek overlijdt in 1869 en zijn hele bezit werd geveild.

Op de veiling werd het landgoed en huis Oog in Al verkocht aan P.H.C. van den Broeke, steenfabrikant uit Lobith, voor het bedrag van 74.000 gulden. Hij was getrouwd met Josephina van Zijl , ‘dochter van de ambachtsheer van Veldhuizen en Oudenrijn’. Het echtpaar  woonde bij de aankoop van Oog in Al zelf op huize Welgelegen en daar blijven ze ook wonen. Huis Oog in Al gaat na de aankoop in de verhuur. Bij overlijden van vader van den Broeke erven zijn twee zoons alle bezit te weten Oog in Al, Welgelegen én Rhijnlust. Welgelegen en Rhijnlust waren twee buitenplaatsen iets verderop langs de Leidsche Rijn. Zoon Guillam Hendrik blijft op Welgelegen wonen. Zoon Pieter Hendrik gaat vanaf 1890 (tot 1918) op Oog in Al wonen. Bij  de verkoop van het landgoed aan de gemeente in 1918 wordt er afgesproken dat Pieter Hendrik nog zeker 25 jaar huis Rhijnlust mag huren met tuin, tuinmanswoning , stal en tennisbaan.

Rond 1900 is het landgoed Oog in Al ‘s zomers een geliefde plek voor bewoners van Utrecht om er te komen roeien en kersen te eten.

Op 3 mei 1918 kwam een bericht in de krant van notaris H. van Nieuwenhuizen uit Maarssen dat het Buitenverblijf Oog in Al geveild zou gaan worden:

VOORLOOPIG BERICHT
In juni 1918 zal te Utrecht worden geveild: Het alleraangenaamst gelegen Buitenverblijf  ‘’Oog-in-Al”, Met ruim goed onderhouden
Heerenhuis, Koetshuis en Stalling, Koetsiers- en Tuinmanswoningen. 
Wandelplaats, Tennisveld, Koepel Aan den Rijn, Moestuin, enz.
Te Utrecht, aan den Leidschen Rijn, onmiddellijk bij Merwedekanaal
en bebouwde kom der stad Utrecht.

 

De onderhandelingen met P.H. van den Broeke leiden op 9 augustus tot een schriftelijke verklaring van de eigenaar ‘te verkoopen aan de gemeente Utrecht voor den prijs van 430.000 gulden de aan hem toebehoorenden buitenplaats “Oog in Al” met bijbehoorende landerijen, […] onder voorwaarde dat de Raad der Gemeente uiterlijk in de eerste Septembervergadering omtrent den aankoop eene beslissing neme en de betaling van den koopprijs […] ongeveer 1 October a.s. geschiede’. Op 3 september 1918 neemt de gemeenteraad het besluit tot koop.

Het exploitatieplan voor het park en de woonwijk werd in oktober 1918 voorgelegd aan H.P. Berlage. Deze beroemde stedenbouwkundige was bezig met een groot uitbreidingsplan voor de stad en werd in october door de gemeenteraad als algemeen stedenbouwkundig adviseur ingehuurd (voor 2500 gulden). Hij kreeg meteen het verzoek om advies te geven over de invulling van het plan Oog in Al.

Het park Oog in Al werd ontworpen en aangelegd door plantsoenmeester J. J. Denier van der Gon en zijn opvolger S.G.A. Doorenbos. Het betrof ‘’Een landschappelijk ontwerp met speelweide en een gedeelte tuin waarin muziekuitvoeringen in de open lucht konden worden gehouden’’.

J.J. Denier van der Gon plantsoenmeester Park oog in Al 1918. HUA 104390

Dit park zou van der Gon’s belangrijkste werk worden en werd geheel naar zijn ontwerp uitgevoerd. In 1918 had hij net zijn 25-jarig jubileum achter de rug en in 1922 ging hij met pensioen. Maar hij bleef beschikbaar als adviseur. De nieuwe plantsoenmeester Doorenbos voltooide de werkzaamheden in het park en was ook verantwoordelijk voor de groenstructuur in de woonwijk Oog in Al. Het park gaat geleidelijk over in straten met veel bomen. Op de plek van de oude sier- en moestuin van de buitenplaats kwam  het nieuwe openbare wandelpark.

Plantsoenmeester S.G.A. Doorenbos aanleg Park Oog in Al 1926. HUA 104456

Ontwerp voor het park in 1921: “Tot uitgangspunt werd gesteld dat hier gemaakt behoort te worden een Volkspark waarvan  een gedeelte voor uitspanning en een ander deel voor spel en lichamelijke ontwikkeling in de buitenlucht bestemd zal zijn, terwijl alles te zamen een schoon geheel moet uit maken.’

Gedrukte ontwerptekening van de plantsoenmeester J.J. Denier van der Gon uit 1921, goedgekeurd door de directeur van gemeentewerken (onleesbare handtekening) met theehuis, speeltuin, muziektent, botenhuis Triton en speelweide met daaromheen vijvers. HUA 211008

Er werd een aantal extra wensen meegegeven aan het plan vanuit de gemeente:
 – de parkaanleg moet gelijk opgaan met de aanleg van het stratenplan;
– zoek een mogelijke locatie voor een botenhuis van roeivereniging Triton (die van hun bestaande locatie aan de Kruisvaart moest vertrekken);
 – maak van de aanleg een werkelozenproject.  

Ter voorbereiding van de bouw van de woonwijk werden begin 1921 circa 250 vruchtbomen van de aanwezige boomgaard gekapt. Denier van der Gon maakte twee ontwerpen voor het park: een landschappelijke aanleg in de sfeer van Zocher en een symmetrische aanleg. De landschappelijke werd bijna zonder discussie uitgekozen.

‘Volgens dit plan zal het water zoo over het terrein geleid worden, dat er verschillende waterpartijen ontstaan, die met behulp van beplanting behoorlijk van elkaar gescheiden zullen liggen, zoodat men het niet alles tegelijk kan overzien en er met behulp van grasvlakte, boomgroepen en wegen een geïdealiseerd landschappelijk park ontstaat. Door het uitgraven van dit water zal een drieledig doel bereikt worden.

  1. zal door den uitgegraven grond een heuvelachtig terrein geschapen kunnen worden;
  2. zullen de op het terrein liggende slooten gedempt kunnen worden;
  3. zal een door water omringd, afgesloten speelveld, groot circa 110 x 75 M2, ontstaan.

Daarnaast wordt er in het ontwerp gesproken over een bloemenheuvel van waar men een deel van het park kon overzien. En om er een echt volkspark van te maken komt er een groot grasveld voor ‘ lichamelijke opvoeding, sierlijke spelen (korfbal, wandel- jacht en vierkantbal’’ en `hoewel het ontworpen veld groot genoeg is voor het voetbalspel mag er dit niet op uitgeoefend worden. Het gras zou er teveel door lijden, terwijl het spel niet sierlijk is.” Het veld is omgeven door water, zodat het vrij ligt en niet toegankelijk voor iedereen. Alle vereenigingen, die er een georganiseerd schoonheidsspel op willen uitoefenen mogen er, voorzover de ruimte het toelaat en het gras niet beschadigd wordt, of rust tot herstel vereischt, van gebruik maken. 

Het bestek voor de aanleg bevatte de volgende onderdelen:

– het graven van vijvers, waterlopen, het dempen van sloten en het opwerpen van de beide hoogten;
– de aanleg van grasvelden;
– de aanleg van wandelpaden (sintels);
– de aanleg van een rijweg (onderlaag puin, sintels)
– het planten van 250 stuks bomen;
– het planten van 2000 struiken;
– het planten van bloemen en planten;
– de tuinaanleg bij het Theehuis;
– het inrichten van een schuurtje tot bergplaats;
– de plaasting van circa 100 meter hekwerken;
– het maken van een rijbrug en 2 voetbruggen.

In de winter van 1921-1922 wordt het park aangelegd. Werklozen helpen bij ‘’de terreinwerkzaamheden voor de vorming van het plantsoen met heuveltjes en waterwerken’’.Oude bomen bleven zoveel mogelijk gespaard. De oudste boom die nu nog in het park te vinden is, is een honingboom uit 1810 in de buurt van de bocht van de Everard Meijsterlaan (nu fietspad). Op de plek  van het huidige keramiekatelier (en voormalige padvindershuis de Roef) kwam een muziektent.

Muziektent in Park Oog in Al , afgebrand in 1940 en ondanks plannen nooit meer herbouwd. Foto 1920-1940 HUA 41139

Studentenroeivereniging Triton kreeg een stuk grond in erfpacht voor de bouw van een botenhuis en een aanlegsteiger aan de Leidsche Rijn. De door Triton tevens gevraagde tennisvelden naast het botenhuis werden door B & W afgewezen. Met het botenhuis werd al een deel van het park onttrokken aan het publiek daarom niet ook nog privé tennisvelden. In 1913 was roeivereniging Batavier met de vorige eigenaar P. H. van den Broeke overeengekomen dat zij een stuk grond op het landgoed mochten huren voor de aanleg van een botenhuis met steiger. De gemeente besloot nu in 1918 om een plek aan Triton te gunnen in het nieuwe park waardoor Batavier moest verhuizen omdat dit botenhuis precies op een plek lag waar  nieuwe straten moesten komen.

Opening Triton botenhuis 1 november 1923, de Telegraaf 18 oktober 1923
De violenheuvel in Park Oog in Al met rechts een deel van het botenhuis van Triton, 1920-1940 HUA
Leidsche Rijn met roeiers met links het terras van het theehuis uit: Utrecht in woord en Beeld 1926, nr 12 HUA 24728

Het huis Oog in Al zou worden ingericht als theehuis of melkschenkerij. Het werd een theehuis. Veranderingen waren nodig om het landhuis daarvoor geschikt te maken. Gemeentearchitect van der Gaag gaat er mee aan de slag. Er komt een uitbouw aan de Leidsche Rijn kant en terrassen aan de voorkant en aan het water. Aan het grasveld bij huis Oog in Al komt ook een aanlegsteiger. De ANWB had hier ook al om gevraagd omdat ´´de watertoeristen die over het Merwedekanaal naar Utrecht komen daar in de buurt geen gelegenheid hebben om aan te leggen.  Ook komen er extra toiletten in het theehuis en een uitbouw voor een spoelkeuken met ijskast aan de oostkant.

De eerste jaren na aankoop tot aan de verbouwing  verhuurt de gemeente een deel van het huis Oog in Al nog aan twee Jaarbeurs-medewerkers voor 800 gulden per jaar.

Op 23 maart 1923 werd het theehuis geopend. Eerste uitbater werd de heer B. N. van den Burg die ook al het koffiehuis Den Hommel van de gemeente pachtte. Het Utrechts Provinciaal en Stedelijk dagblad schrijft over de opening: De zalen prijkten met groen en bloemen, vooral bijeengebracht voor de ramen. Het geheel maakt een zéér warmen, gezelligen indruk. Beige gordijnen met blauwe randen harmonieeren volkomen met de kleuren in de verschillende vertrekken die nu volledig gestoffeerd waren en door hun intiem interieur in aangename tinten, algemeen werden bewonderd.

Opening theehuis op 23 maart 1923, Algemeen Handelsblad 20 maart 1923.
Prentbriefkaart uit 1923. P.C. van Rossem, HUA 3552

De burgemeester en de raadsleden werden bij de opening van het theehuis uitgebreid door de heer van den Burg rondgeleid. Het gemeentebestuur had er voortaan een mooie locatie bij voor bijeenkomsten en recepties:

Algemeen Handelsblad 14 september 1923
Theehuis in Park Oog in Al met terras aan het water jaren ’20 HUA 41136
Interieur theehuis 1923, HUA 41135

De nieuwe muziektent tegenover het theehuis werd dé plek voor concerten en optredens. Zo ook in de zomer van 1924 toen het eerste harmonie concert van het seizoen een groot succes werd:

Veel publiek bij concert van het ”Utrechtsche Dilettanten-Orchest” olv dirigent A. Sigterman, UN 26 juni 1924
Wandelen in het Park, prentbriefkaart 1923 van Weenenk en Snel, HUA 3553
Een mooie kiek. Wandelen in het park , uit Utrecht in Woord en Beeld 1926, nr 12 HUA 24727

In september 1923 planten weeskinderen uit zeven weeshuizen in Utrecht een herdenkingsboom in Park Oog in Al ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van koningin Wilhelmina. Zij lopen vanaf de Mariaplaats in kleurige stoet via de Leidsche Weg naar Park Oog in Al. De lindeboom wordt geplant op ”den hoogsten heuvel.” De linde staat symbool voor trouw, rust en vrede. De optocht heeft veel bekijks en ook in het Park is veel publiek. Het planten van de boom wordt ondermeer bijgewoond door burgemeester Fockema Andrea, plantsoenmeester Doorenbos en directeur gemeentewerken Holsboer. Het Wilhelmus wordt gezongen en ‘Wien Neerlandsch bloed’. Na afloop krijgen alle kinderen limonade en wat lekkers in het theehuis.

Weeskinderen met oranje sjerpen en vlaggetjes planten een jubileumboom in Park Oog in Al op 6 september 1923. Foto van G. Jochmann, L.M. de Rijk en C.J.L. Vermeulen, HUA 98790

Op de rest van de grond van het oorspronkelijke landgoed Oog in Al (de overige tweederde van de grond)  werd een stratenplan en riolering aangelegd. De  aanbesteding werd gegund aan S. Priem uit de Bilt voor een bedrag van f 166.983,- , zijnde de goedkoopste bieder. Als je naar de putdeksels kijkt in de straten van Oog in Al zie je precies welke straten bij dit eerste uitbreidingsplan hoorden n.l. die met het jaartal 1921 erop.

Putdeksel Chopinstraat uit 1921, foto A.W. 2018

 De bestrating zou behooren te worden uitgevoerd in een verharding, waarnaast tegel-trottoirs, behalve die van de hoofdverkeerswegen met klinkers dienen te worden bestraat.

Voor dit deel van de wijk werd het stratenplan van architect en stedenbouwkundige H.P. Berlage en directeur gemeentewerken L.N. Holsboer uitgevoerd. Vanuit het Park Oog in Al werd een geknikt stratenplan ingetekend dat tussen de Everard Meijsterlaan en de Leidseweg kwam te liggen. Halverwege het stratenplan plande Berlage een verbreed plein met twee scholen.Vanuit het Park was er een zichtas (Beethovenlaan) via het Beethovenplein naar de kruising met de rondweg.

Detail van het uitbreidingsplan Van Berlage en Holsboer uit 1920 met daarop het park en de eerste straten van de nieuwe wijk Oog in Al. Via de Leidseweg kom je uit op de weg naar Leiden. Op de plek waar later het Amsterdam Rijnkanaal zou komen staat hier al Omleiding Merwedekanaal ingetekend. HUA 41155

Reeds bestaande wegen van vóór 1918 kregen een nieuwe naam. Zo kreeg de Leidsche Vaart de naam Richard Wagnerlaan, de Groeneweg werd de Everard Meijsterlaan en de Heerenweg werd Joseph Haydnlaan.

Nieuwe straatnamen met als foutje Hendrik Meysterlaan, UN 19 januari 1923

Voor nieuwe straten kwamen er componistennamen uit de kast. Mozart, Bach, Wagner, Beethoven, Händel, Chopin enz. Een paar straten die in de plannen stonden zijn er nooit gekomen. Zoals bv de Rossinistraat, het Frans Lisztplantsoen of de Verdistraat.

Achter het landgoed Oog in Al lag de boomgaard van de heer D.E.H. Diemont. Tijdens de uitvoering van de ophogings-, riolerings- en bestratingswerkzaamheden voor de nieuwe wijk rond 1921 is tussen de gemeente en de heer Diemont een geschil ontstaan. Zo kwam de watervoorziening van zijn boomgaard via de aanwezige sloten door al deze werkzaamheden in de knel. De gemeente meende de nodige voorzieningen te hebben getroffen maar uiteindelijk moest er een commissie van drie wijze mannen aan te pas komen om het geschil bij te leggen. Er werd een rapport uitgebracht waarin stond ‘’dat de watertoestand in de sloot om den boomgaard door het aanbrengen van de werken op ‘’Oog in Al’’ inderdaad is achteruitgegaan en voorts, dat ter opheffing van de ingetreden verslechtering verruiming noodig zal zijn van den watergang” De gemeente deed nog een bod op de boomgaard van dhr Diemont maar deze ging niet akkoord.

Rond 1920-1923 worden de eerste huizen opgeleverd. Wonen in Oog in Al betekende in die tijd: wonen op stand op een afgelegen plek maar met veel ruimte en tussen het groen.

Bronnen:
Foto bovenaan: luchtfoto van KLM Aerocarto 1921 HUA 80578.
Utrechts Nieuwsblad 8 november 1918, De Maasbode 13 juni 1921, UN 29 juni 1921, UN 28 juni 1921, UN 15 juli 1921, UN 6 september 1923, UN 24 juli 1924.
Bonica Zijlstra, Parken in Utrecht, Historische Reeks Utrecht,1988
José Pijl -Marsman, Huis Oog in Al en zijn bewoners, maandblad Oud Utrecht, maart 1987
José Pijl -Marsman, De theekoepel ’t Oog in ’t Al, maandblad Oud Utrecht, 1992 
Plattegrond gemeente Utrecht 1934-1938 HUA 210076
HUA 780 908 huurcontract Batavier met van den Broeke 1913.
HUA 221 1639 Kapittel van St Marie.
HUA koop en verkoop Oog in Al 1795.
Cultuurhistorische analyse park Oog in Al, Team Erfgoed, d.d. februari 2012.
Analyse historische beplanting  Park Oog in Al te Utrecht, – eindrapport – Opdrachtgever: Gemeente Utrecht
April 2015 Projectnummer: 9270.
Mieke Heurneman en Bettina van Santen.De Utrechtse wijken, West. Spou/Het Utrechts Archief 
Historische atlas van de stad Utrecht Hans Renes SUN, Amsterdam 2005.

 

Dit vind je vast ook leuk

  • Jee Anna, wat een werk! Dit is al een heel boek. Leuk om te lezen!

    Reply
  • Beste Anna,

    Wat heb je weer een speurtocht ondernomen .
    Mis nog wat er allemaal nadien nog gebeurt is :
    – onderkomen voor KNIL militairen
    – bibliotheek.
    Dirk

    Reply
  • Ja klopt! Dit artikel gaat over de eerste jaren van park en theehuis. Alles wat er nadien gebeurd is zal zeker een keer langskomen!

    Reply
  • Als inwoonster van Oog in Al, liever gezegd Halve Maan, van 1937 – toen ‘ onze’ straat (Dantelaan) nog niet eens geasphalteerd was – tot 1954, heb ik dit alles met grote belangstelling gelezen. Boeiend!
    Ik zie nog de Duitsers vertrekken uit wat later het Militair Hospitaal werd… In een lange stoet lopend over de Lessinglaan met hun honden – Duitse herders uiteraard – en ongetwijfeld met hangende pootjes.
    Destijds werd de Lessinglaan ‘Rondweg’ genoemd. Ik betwijfeld of iemand toen wist waarom. Het was jaren later dat de Lessinglaan een deel werd van de verkeers ‘Ring’ om Utrecht. Een vooruitziende gemeente planner zag dus al in de jaren 30 hoe het verkeers zich zou uitbreiden…

    Reply

Laat een antwoord achter

Uw emailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *