Een geschiedenisverhaal in drie delen.

Harm Waterborg, student geneeskunde van de Dantelaan 53 in Oog in Al , wordt na zijn weigering om de loyaliteitsverklaring te ondertekenen, via de Duitse Arbeitseinsatz in 1943 tewerkgesteld in een Berlijn’s ziekenhuis. Hij is dan 24 jaar.
Tijdens zijn verblijf maakt hij veel bombardementen op de stad mee met verwoestende gevolgen. Harm schrijft er uitgebreid over in de brieven naar zijn ouders in Oog in Al. Door dit te doen kan hij het enigszins van zich afschrijven. In dit deel 2 veel citaten uit zijn brieven daarover. Ook maakt hij een aantal tekeningen over de gevolgen van de bombardementen zoals de afbeelding hierboven.
Daarnaast zet hij zich op verzoek van studentenpastor Visser van Veritas in voor parochiewerk in Berlijn onder de andere tewerkgestelde studenten die lid zijn van de katholieke studentenvereniging Veritas uit Utrecht.
Belangrijke vrienden voor Harm in Berlijn zijn de Utrechtse tweedejaars student geneeskunde Wim Fontijne uit Zuilen en chemie student Gerard Crone van de Lessinglaan, Oog in Al (zie deel 1). En dan is er ook nog vriend Jan Ockeloen.

Vriend Jan Ockeloen.

Jan wordt één van Harm’s  beste vrienden in Berlijn. Ze kennen elkaar uit het doorgangskamp Rehbrücke. Jan is student economie uit Amsterdam en wordt tewerkgesteld bij de Mauser geweerfabrieken in de Triftstrasse Wittenau in de buurt van Harm. Ook hij heeft geweigerd om de loyaliteitsverklaring te ondertekenen. Maar omdat hij geen onderduikadres heeft en bang is dat zijn ouders als represaille worden opgepakt, geeft ook hij zich vrijwillig op voor de Arbeitseinsatz. Jan Ockeloen geeft later zelf een indruk van zijn fabrieksarbeid en onderkomen bij de Mauser-Werke en zijn kennismaking met Harm: Na een kort verblijf in het doorgangskamp Rehbrücke, waar ik Harm heb leren kennen, werd ik in de Mauserfabrieken in Berlijn-Reinickendorf aan de Triftstrasse tewerkgesteld. Er werden revolvers en geweren gemaakt. We sliepen in barakken, houten keten, die op een nabijgelegen braakliggend fabrieksterrein waren neergezet.

Jan Ockeloen: ´´We sliepen in barakken, houten keten, die op een nabijgelegen braakliggend fabrieksterrein waren neergezet´´. Foto: rhegie.com afkomstig uit privébezit Jan Ockeloen

In onze barak sliepen 10 studenten, allemaal Nederlanders, die bij Mauser tewerkgesteld waren. Ik noem: Harry van Braak, Jacob Krom, F.J. Russel, Asselbergs, Piet Nas, Ton Goedemans, Bob Wiltink en Jan van Gemert.

De groep Nederlanders uit de barak van Jan. Jan staat achteraan derde van rechts. Foto: Rhegie.com uit privébezit van Jan Ockeloen

De overige buitenlanders, die in de Mauserfabrieken werkten, sliepen ergens anders. Ik weet niet hoeveel Nederlanders er in die Mauserfabrieken werkten, noch hoeveel buitenlanders. De woon- en leefomstandigheden waren erbarmelijk. We sliepen op stapelbedden, boven en onder elkaar dus. Op papierzakken, die met houtwol gevuld waren, en onder een paardendeken. De barak werd verwarmd door een klein potkacheltje. We konden ons wassen in de wasbarak, die ook ergens op dat terrein was geplaatst. Als het geregend had, liep je door de modder ernaartoe. Het eten kwam uit de keuken, die eveneens op het terrein lag. Je werd aangewezen om het warme eten in gamellen af te halen. We werkten de ene week van 6 uur ’s morgens tot 6 uur ’s avonds en de week daarna omgekeerd van 6 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens. Als we ’s ochtends begonnen, was er om 12 uur een pauze van een kwartier, en als we ’s avonds begonnen, hadden we middernacht een pauze van een half uur. De fabriek werkte praktisch continu. Hoewel het bestaan nogal Spartaans was, hadden we het onvergelijkbaar veel beter dan de Russen. Dat waren vooral meisjes en jonge vrouwen. Zij werden als gevangenen behandeld en Joost mag weten wat zij te eten kregen. We hadden diepe deernis met hen. Wij konden vrijwel niets doen om hun situatie te verbeteren. Elke hulp aan hen was verboden. Wij daarentegen werden niet als gevangenen beschouwd. In onze spaarzame vrije tijd konden we doen wat we wilden. We konden als we wilden Berlijn ingaan en desgewenst met onze levensmiddelenkaarten overal eten – als dat tenminste lukte! We werden ook niet bewaakt, maar uit Berlijn weggaan was ook niet mogelijk. Ons paspoort was ingenomen en we hadden geen reispapieren.

De barak van de Nederlanders bij de Mauserfabrieken in de Triffstrasse Berlijn. Foto: rhegie.com afkomstig uit privébezit Jan Ockeloen.

Harm en Jan spreken regelmatig af zoals op 12 juni 1943. Harm schrijft daarover: Om half drie kwam Jan Ockeloen, met wie ik had afgesproken om samen de dag aangenaam door te brengen.  We hebben toen koffie gedronken met een stuk gebak erbij.  Daarna heb ik zijn hand verbonden, want hij had zich ’s morgens in zijn vingers gesneden. Toen hebben we een stukje gegeten in het Duits-Russische restaurant, waarna we een lange wandeling gemaakt hebben door een prachtig stuk van Berlijn, nl. tussen de Zoologische Garten en de Friedrichstrasse. Daar ligt een uitgestrekt park met veel mooie wandellanen en standbeelden van allemaal beroemde mannen. Tot slot een bord schildpadsoep en een kop koffie met suiker en melk bij Aschinger, dat is een soort cafetaria met een bende filialen, overal in de stad verspreid. En toen naar bed. Dat was een fijne dag.

De Charlottenburger Chaussee: “een lange wandeling door een prachtig stuk van Berlijn, nl. tussen de Zoologische Garten en de Friedrichstrasse”. Foto uit 1937 afkomstig van Welt.de, Berlin in frühen farbdias.
“Tot slot een bord schildpadsoep en een kop koffie  met suiker en melk bij Aschinger ” Op de ansichtkaart een vestiging van Aschinger uit 1929.

Harm en Jan worden goede vrienden en nemen elkaar regelmatig in vertrouwen en voeren soms gesprekken tot diep in de nacht. Via Jan Ockeloen komt Harm in contact met de familie Rijnders in Berlijn. Theo Rijnders is directeur van de Olland Snelwegenfabrieken en de familie komt oorspronkelijk uit Amersfoort maar ze gaan later in  Utrecht wonen. Een reuze aardige meneer, aldus Harm. Na de oorlog zou blijken dat Theo Rijnders als koerier in het illegaal verzetswerk een belangrijke rol heeft gespeeld. Als zakenman heeft Rijnders een visum waarmee hij vrij Duitsland in en uit kan reizen. Zo is het voor hem mogelijk om geheime informatie over en weer te smokkelen onder andere voor de verzetsgroep vernoemd naar Johan Stijkel, de Stijkelgroep. Na de oorlog is hij voor zijn verzetswerk onderscheiden. Dochter Loekie Rijnders vertelt na de oorlog over het werk van haar vader: Het was niet ongevaarlijk. Op een gegeven moment, toen mijn vader reizend in de trein gesnapt dreigde te worden, heeft hij alle koeriersberichten opgegeten, ondanks dat hij toen al ernstige maagproblemen had.

Rijnders heeft in Berlijn veel contact met Adriaan Millenaar, een Nederlandse diplomaat werkzaam bij het Zweedse Gezantschap in de Rauchstrasse. Dit Gezantschap behartigt de belangen van Nederlanders tijdens de oorlog omdat de Nederlandse ambassade is gesloten. Millenaar heeft zich legaal maar vooral ook illegaal ingezet voor Nederlandse gijzelaars, studenten, dwangarbeiders, krijgsgevangenen, politieke gevangenen en joden. Hij heeft veel levens gered.

Als Rijnders in Nederland is, brengt hij de groeten over aan de ouders van Harm en vice versa. Ook neemt hij sigaretten of andere spullen voor Harm mee van zijn ouders en ‘de laatste nieuwtjes’.

18 februari 1944
Toevallig sprak ik gisteren avond nog dhr. Rijnders, die vandaag weer naar Nederland toe is. Hij zal u morgen wel even opbellen en vertellen, dat alles O.K. is.

22 maart 1944
Zaterdag ben ik nog even bij Rijnders geweest; ik had voor dhr. Rijnders een middeltje voor zijn maag gekocht en dat wilde ik even brengen. Nu paste dat toevallig mooi, want dhr. Rijnders zou zondagmiddag naar Nederland vertrekken. Ik gaf hem mijn hartelijke groeten voor alle bekenden, speciaal voor mijn liefste ouders mee.

Jan Ockeloen leert bij de familie Rijnders dochter Loekie kennen in de zomer van 1943 en ze worden verliefd. Loekie woont met haar ouders en haar broer Theo al sinds 1936 in Berlijn-Schöneberg in de Hohenstaufenstrasse nummer 51. Het is een prachtig huis, een stadspaleis. In huize Rijnders staat een mooie Blütnervleugel, afkomstig uit de pianozaak die Loekie’s vader door de 1929 crisis heeft moeten sluiten en Jan mag daar graag op spelen. Jan komt bij de familie Rijnders over de vloer door bemiddeling van student Fak Bronsing die hij nog kent van de middelbare school en nu samen met hem tewerk is gesteld bij de Mauserfabrieken. Jan: Fak  wist uit onze schooltijd dat ik een zeer gedreven en ook wel bedreven amateur-pianist was. Hij zei dat de prachtige vleugel wel eens een trait d’union voor mij zou kunnen worden voor plezierige contacten in een echt Hollands gezin. Hij bemiddelde een afspraak. De datum heb ik nooit kunnen vergeten: 12 juli 1943. Ik was nog niet binnen of ik werd door Loekie – toen nog  juffrouw Rijnders – op de pianobank gezet. Ik was zo verrukt van die vleugel dat ik speelde zoals ik mezelf nog nooit gehoord had. Licht klassiek, maar ook moderne melodietjes met spannende harmonische avonturen, die allemaal nog lukten ook. Ik dacht met dit alles geen slecht figuur te slaan en dat bleek ook wel. Tot mijn grote verrassing werd ik bij het afscheid voor het komend weekend uitgenodigd. Stel je voor!

Een ansichtkaart van de Hohenstaufenstrasse alwaar de familie Rijnders op nummer 51 woont. Ansichtkarte, akpool.de

En Jan neemt op zijn beurt weer Harm mee naar de familie Rijnders omdat ook Harm graag piano speelt. Harm: De visite bij familie Rijnders heb ik, meen ik, al kort beschreven. Daarvan is eigenlijk weinig anders van hangen gebleven dan het zeer intense genot van eens op een goede piano te kunnen spelen. Het is een pracht van een vleugel” (3 september 1943).

Bij bombardementen van juli 1943 wordt het huis van de familie Rijnders zwaar beschadigd. Omdat Harm gevraagd wordt of hij wil helpen puin ruimen doet hij daarover uitgebreid verslag:
In de Hohenstaufenstrasse vernielde een luchttorpedo minstens veertig huizen van vier verdiepingen, waarbij ongeveer 320 gezinnen dakloos werden. Er stortte een schuilkelder door de puinhopen van het er boven staande huis in; de mensen konden echter spoedig uitgegraven worden. Maar toen ik in de straat kwam, moest ik vragen of hier vroeger huis no. 51 stond. Ja, dat was het huis. Het stond nog overeind, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Alle ramen en deuren waren met kozijn-en-al door de kamers geslingerd. De plafonds waren naar beneden gekomen. Er was geen stukje porselein of glas meer heel. (…) Schilderijen en bedden waren volkomen vernield, alleen de prachtige vleugelpiano vertoonde slechts een enkel schrammetje. Met zes man zijn we om twee uur aan het werk gegaan en hadden ongeveer drie uur nodig, voor we alle glasscherven en kalkbrokken een beetje opgeruimd hadden. Wat er over was, werd aan de kant gezet en de rest vanuit de tweede verdieping op straat gesmeten, waar reeds metershoge hopen glasscherven lagen.Op mijn heenreis naar dat getroffen gebied, kwamen we door straten, die op kilometers afstand lagen en waar je geen 100 meter zicht had vanwege de rook. Alle mensen liepen met een zakdoek voor hun gezicht en tranende ogen. Rook en glas, puin en zwartgebrande balken overal waar je heen keek. Het huis tegenover dat van mijn vriend brandde nog steeds als een kachel. Er was dus geen blussen aan. De zon scheen zo rood en vreemd door de rook  heen als indertijd bij de brand in Rotterdam. In de krant wordt gesproken van 155 machines, die naar beneden zijn gehaald door Flak of nachtjagers. Een politieagent die op de hoek van de straat op post stond, zag er in verloop van 20 minuten 12 stuks naar beneden komen. Er werd ontzettend geschoten, zodat we vaak minutenlang de vliegtuigen, die zeer laag vlogen, niet eens konden horen. En nog minuten later regende het metaalsplinters, die bij het neerkomen een vonkenfonteintje uit de grond toverden. Wanneer we aannemen dat er 15% is neergeschoten, dan zijn er ongeveer 1000 machines boven Berlijn geweest. En dat kan wel zowat kloppen, want de verwoestingen zijn ontzettend geweest.

Burgers ruimen puin na een bombardement in Berlijn, NIOD 42763

De Nederlandse marine officier Harry Isbrucker die begin 1944 krijgsgevangene is en op de vlucht is in Berlijn komt via Adrianus Millenaar van het Zweedse Gezantschap in contact met Rijnders en  krijgt daar onderdak aangeboden op de zolder en beschrijft dat er geen dak meer op het huis was: We hebben daar geslapen op de bovenste etage, een kamer waar geen dak meer op was, maar wel  een groot zeildoek over was gespannen. We hebben op de  grond geslapen, ik herinner me niet of er een matras lag, maar het was heerlijk. De volgende ochtend zijn we met hem (zoon Theo) en zijn vader naar de zaak van zijn vader gegaan (…). Daar hebben we nog weer bonkaarten en wat geld gekregen.

Bijzonder is dat de pianovleugel van de familie Rijnders na het bombardement nog geheel intact is en dat deze later mee teruggaat naar Nederland.

Harm komt daarna vaker bij de familie Rijnders over de vloer. Eind 1943 duiken zijn vrienden van de Mauserwerke hier onder. Zo viert hij hier tweede Kerstdag samen met zoon Theo Rijnders, Jan Ockeloen, Ton Goedemond  en Bob Wiltink. Deze laatste twee kent Harm ook nog uit Utrecht van Veritas. 26 december 1943: Vanmiddag ga ik kerstmis vieren bij drie ondergedoken kameraden, die in de puinhopen van de Hohenstaufenstrasse wonen. En daarna: gisteren, tweede kerstdag, ben ik na het middageten naar de Hohenstaufenstrasse gegaan. Ik had, behalve een doos ‘ziekenhuisgebak’ ook nog drie flessen wijn (twee van het ziekenhuis en eentje van een patiënt uit mijn privé-praktijk) en tien appels bij me. Een en ander werkte er toe mee om na het eten gezellig een viertal fauteuils om de kachel te scharen, waar we ons toen in nestelden en een boom opzetten van heb ik jou daar. Achtereenvolgens kwamen tal van filosofische, godsdienstige, psychologische en seksuele vraagstukken op  de proppen. Ook oud en nieuw 1943/1944  brengt Harm samen met zijn vrienden hier door: Omdat het dan oudejaarsavond is, ga ik dan in aansluiting aan het spreekuur direct naar de Hohenstaufenstrasse, om daar het oud en nieuw te vieren met mijn kameraden. Natuurlijk moet ik niet vergeten om mijn fles cognac en wat sigaretten mee te nemen. En mijn pyjama, tandenborstel en wekkertje (Om de volgende dag weer op tijd in het ziekenhuis te zijn). Het zal wel weer laat worden voor we naar bed toe gaan. Zaterdag begint het nieuwe jaar 1944. Wat zal dat ons allemaal brengen? Laten we hopen dat er op de eerste plaats vrede komt. Dan komt er al een heleboel wensenwaardigs vanzelf. En de rest laat ons koud. Eerst vrede!

Op 3 januari 1944 doet Harm verslag aan zijn ouders over deze jaarwisseling:
Berlijn, 3 januari 1944.
Vrijdagavond, na een niet te druk spreekuur (ik had alleen de patiënten besteld, die ik donderdag heb moeten afwijzen, daar ik toen niet klaar gekomen was) ben ik in een vliegende sneeuwjacht naar de Hohenstaufenstrasse gegaan, waar we met zijn achten, allemaal studenten, de overgang van Oud in Nieuw hebben gevierd. Om half vier gingen we pas naar bed. De volgende morgen was ik al weer om even voor negen in het ziekenhuis: zaalvisite, ontbijt en kerkgang. Middageten en daarna weer terug. De nacht van 1 op 2 januari was niet zo rustig. ’s Morgens om half drie: luchtalarm! Bomaanval op Tempelhof en andere zuidwaarts gelegen stadsdelen. Ofschoon we er zelf weinig van gemerkt hebben (we zaten in een goeie openbare schuilkelder), moet het flink raak geweest zijn. Gisteren ben ik ook alleen even naar het ziekenhuis geweest om zaalvisite te maken, te eten en naar de kerk te gaan. Maar toen ik daarna weer in de Hohenstaufenstrasse kwam, was de bende juist aan het ontbijt. Die waren van plan om naar de mis van vier uur te gaan.  Ondertussen schilde ik een emmer aardappelen en speelde en passant een schlager op de prachtige vleugel van de familie Rijnders. Onderwijl was de vijf cm hoge sneeuw van de vorige dag al weer glansrijk weg gedooid, daar het letterlijk warm water regende. Na het diner van 7 uur gisteren avond (zes personen, één gang) ben ik betrekkelijk vroeg naar huis gegaan en lag om half tien in mijn eigen mandje. Echter vanmorgen om half drie moest ik er weer uit: luchtalarm. Flinke aanval. Tot vier uur.

Op 13 januari gaan Harm en Bob Wiltink nog schaatsen op de openluchtkunstijsbaan in Friedrichshain. Toen het donker begon te worden, werden de schijnwerpers aangestoken en ging het spel verder. We hebben ons kostelijk ‘gemauserd’, al hadden we dan met ons twee-en maar één paar schaatsen. Na afloop zijn we op het Potsdamer Platz lekker een stukje gaan eten. In Café Leipzigerhof hebben we lekker zitten smullen van mosselensoep (al weer Zeeuwse), en een lekker vleesgerecht, waarvoor Bob de bonnen leverde.  (Nou, dat kon best, want hij had in de loop van de afgelopen week twee keer bij mij in het ziekenhuis gedineerd, waarbij ik mijn middagmaal samen met hem gedeeld had.)

“In Café Leipzigerhof hebben we lekker zitten smullen”. Foto: Restaurant Leipziger Hof in de Königgrätzer Strasse. Oldthing.de
´´Na afloop zijn we op het Potsdamer Platz lekker een stukje gaan eten´´ Foto van de Potzdamer Platz uit 1932. Later door bombardementen volkomen verwoest.

Na zijn spionagewerkzaamheden (het doorspelen van vertrouwelijke bedrijfsinformatie) bij de Mauser fabrieken moet Jan Ockeloen  op zijn hoede zijn. Hij duikt onder bij de familie Rijnders zoals hierboven al omschreven en besluit uiteindelijk naar Nederland te vluchten samen met Ton Goedemond  en Bob Wiltink. Jan Ockeloen vertelt zelf naderhand over zijn spionageactiviteiten en zijn vlucht uit Berlijn: De Mauserfabrieken werden gebombardeerd (eind 1943). Kort daarna – ik was op weg naar mijn werk – kwam een collega me waarschuwen: “Jan, ze zoeken je. Je moet maken dat je wegkomt!” Ik was de loopjongen van de afdeling ‘Einkauf’. Ik kwam op alle afdelingen, kende er de mensen, wist wat ze produceerden en hoeveel. Deze informatie gaf ik door aan iemand, die bij Philips werkte en deze informatie weer verder doorspeelde. Volgens de Duitsers was deze informatie er de oorzaak van dat de Amerikanen de Mauserfabrieken als doelwit hadden uitgekozen. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig. Ik maakte rechtsomkeert en vluchtte naar de familie Rijnders, bij wie ik toen al heel vaak kwam. Want daar was Loekie en meer gezelligheid dan in de barak. Al snel oordeelden we toen dat het adres van de familie Rijnders bij de Duitsers bekend zou zijn en dat ze daar als eerste zouden gaan kijken. Intussen was er wel aan valse reispapieren gewerkt. Je kon zelfs in het pikkedonker zien dat ze vals waren, maar er was geen keuze. Ik moest weg uit Berlijn.

Jan vlucht naar Nederland

De laatste nacht slaapt Jan bij Harm in het ziekenhuis. Jan: De dag voor mijn vertrek uit Berlijn heb ik bij Harm geslapen,  samen met Ton Goedemans en Rob Wiltink, twee studenten die ook in de Mauserfabrieken werkten en er de brui aan wilden geven. Zij zouden samen met mij naar Nederland reizen. In zo’n vrouwenziekenhuis, waar Harm werkte, zou niemand ons zoeken. Met vervalste papieren stappen ze de volgende dag op de trein en komen via allerlei omwegen aan bij de grens waar het ze lukt om Nederland in te komen. Het was levensgevaarlijk vertelt  Jan achteraf. Bagage laten ze bij Harm achter. Harm schrijft erover naar huis: 30 januari 1944, Jan Ockeloen, die hier door de Gestapo werd gezocht wegens verdenking van spionage, heeft in de nacht van zaterdag op zondag, vorige week, bij mij gelogeerd, omdat het voor hem bij de familie Rijnders niet meer erg veilig leek. Zondagnacht heeft hij, samen met Bob Wiltink en Ton Goedemans  de benen genomen.  Ze zijn woensdagmorgen in beste welstand thuis aangekomen. Daar de jongens op hun gevaarlijke reis niet te veel mee konden nemen, hebben ze de grootste helft hier achtergelaten. Die zal ik hun in de loop van deze week nasturen. Een en ander vergt nogal wat tijd, daar hun spullen op verschillende adressen nog verspreid liggen en ik  dat eerst moet verzamelen.  Maar die moeite heb ik er best voor over. Samen met zijn vrienden eet Harm die laatste avond in het ziekenhuis de taai taai poppen op uit het pakket dat zijn ouders uit Oog in Al hadden opgestuurd voor Sinterklaas.

Jan duikt na aankomst in Nederland onder bij de familie Rijnders die inmiddels in Utrecht wonen aan de Maliebaan 105 bis. In maart 1944 gaan Jan Ockeloen en Loekie Rijnders een keer bij de ouders van Harm langs in de Dantelaan om te vertellen over Berlijn en over Harm.

Geen verlof en heimwee naar de Dantelaan

In Berlijn voelt Harm zich eenzaam na het vertrek van Jan en de Utrechtse studenten Ton en Bob. Wel blijven Harm en Jan elkaar nog schrijven zolang Harm nog in Berlijn zit. Harm: Alles bij elkaar heb ik veel contact gehad met vrienden en bekenden, en telkens, als ik goed op dreef was, dan verdwenen ze uit Berlijn. Deze en veel andere studenten weten in 1944 met vervalste papieren te ontsnappen. Ondermeer met medewerking van Adriaan Millenaar van het Zweedse Gezantschap. Vooral de Nederlandse studenten weten goed de weg richting het Zweeds Gezantschap te vinden. Ook Harm komt daar meerdere keren en dat voelt goed om daar even vrij te zijn op een stukje neutraal gebied. 16 augustus 1943: en toen ben ik op de bus gestapt (omnibus, twee verdiepingen, je schommelt er als een schip op korte deining!) en naar het Zweedse Gezantschap geschommeld om daar mijn pas te laten verlengen. Dat geschiedde. De prijs was 7 Reichsmark. Natuurlijk werd er alleen Nederlands gesproken. In de wachtkamer hing een portret van de koningin met de beide kleine prinsesjes en prinses Armgard. Ik trof er in de wachtkamer maar liefst 5 collega’s, die eveneens hun pas kwamen verlengen, of als ze geen pas hadden, kwamen ze een zgn. Schutzpas halen. Ik sta dus nu onder de bescherming van de Zweedse gezant. Het was haast een vreemde gewaarwording, om even op neutraal gebied te zijn en je weer vrij te voelen.

En hij hoopt hier op de verjaardag van de koningin nog wat feestelijks mee te maken maar dat valt tegen: Ik ben op de verjaardag van H.M. de Koningin nog even op het Zweedse gezantschap geweest, omdat ik dacht, dat er misschien nog een of andere festiviteit zou plaats vinden, maar daarvan heb ik niets gemerkt. Het was er stil en rustig zoals altijd.

Tijdens Kerst 1943 schrijft Harm een lied op de melodie ‘daar bij die oude molen’ waarin hij zijn heimwee naar huis en naar de Dantelaan onder woorden brengt:

Het wintert nog, het sneeuwt, het vriest,
maar dat laat maar zo zijn,
want spoedig komt de lente weer,
dan zal er vreugde zijn.
Want dan komt Harmpje weer naar huis,
dan is het leed gedaan,
dan trekt hij in zijn oude kast
al in de Dantelaan

Te midden van rook en stof en puin
en sief en gonorroe
speelt Harmpje nog ‘Herr Doktor’ en
hij is heel niet meer bleu.
Maar in zijn hart verlangt hij toch
naar het einde van dit lied,
want het hangt hem nu de keel al uit
van heimwee en verdriet.

Dus we denken aan Utrecht

En later in mei 1944: Dus we denken aan Utrecht, aan de vele bekende en onbekende vrienden en buren, aan mijn liefdevolle vader en moeder, aan Blackie, de hond, aan het huis en de tuin, kortom, aan alles wat me dierbaar is. (…) In deze liefdeloze omgeving sta ik zo moederziel alleen. Ondanks de prettige verhouding met alles wat ziekenhuis en praktijk betreft, ondanks het feit dat alle mensen vriendelijk tegen me zijn. Maar ze zijn slechts vriendelijk, meer niet! Ik verlang naar liefde. Naar iets warms, dat mijn hart verwarmt.

Hij heeft al meerdere pogingen ondernomen om verlof te krijgen maar die lopen allemaal op niets uit. Ongehuwden kunnen pas officieel verlof krijgen na één jaar tewerkstelling. Harm hoopt daarom dat hij in mei 1944 naar Utrecht kan reizen ook al ziet hij het in maart 1944 nog somber in. Hij schrijft zijn ouders:
En nu ben ik ongeveer gekomen aan een onderwerp, waarover ik drie maanden angstvallig heb gezwegen. Verlof. In iedere brief van u lees ik dat u zich op mijn komst verheugt. Laat ik u al vast dit zeggen: Maak u niet blij met een dooie mus, want ik kan helaas in dit opzicht niet zo optimistisch zijn. Sinds januari ben ik er al weer menigmaal op uit geweest, om te proberen buitengewoon verlof te krijgen. Maar noch telefonisch, noch persoonlijk heb ik in dit opzicht enig resultaat kunnen boeken. Het is op het ogenblik zo, dat ik pas weer aanspraken op verlof kan maken op 20 mei a.s. Ik zeg uitdrukkelijk: ik kan er dan aanspraken op maken. Of ik dan direct verlof krijg, is wel zeer de vraag. Hoelang dit verlof duurt, is onbekend. Maar, wat mijns inziens nog erger is, dat voor onbepaalde tijd verlof naar Nederland onmogelijk is geworden, waarschijnlijk in verband met de te verwachten invasie. De toestand is dus zo, dat ik, zo ik al verlof krijg, niet naar Nederland mag komen en misschien, en ook dat is niet zeker, alleen in Duitsland vrij kan reizen. In mijn pas, die ik van de politie heb gekregen, staat, dat ik me alleen in Berlijn mag ophouden. Dit beperkte verblijf kan dan in mijn vakantie tot heel Duitsland worden uitgebreid. Mocht het zo zijn, dat ik inderdaad in Duitsland vrij mag reizen, dan kunt u er van op aan dat ik naar huis kom. Mag ik echter niet vrij reizen, dan moet ik zien of ik dat zaakje niet anders kan aanpakken. Maakt u zich maar geen zorgen over hoe ik over de grens kom. Dat heb ik al geregeld. Al lang geleden. De grote moeilijkheid is om van Berlijn naar de grens te komen. Dat kan alleen als ik vrij in Duitsland mag reizen, of als ik in het Zweedse Consulaat een nieuwe pas aanvraag en als woning daarin een of ander grensplaatsje laat zetten. U ziet, de toestand is, wat verlof betreft, alles behalve rooskleurig. We moeten afwachten tot 20 mei.   

Maar ook in mei krijgt Harm geen toestemming om met verlof te gaan. Alle verloven worden ingetrokken omdat de nog aanwezige artsen hard nodig zijn voor de verzorging van de vele slachtoffers als gevolg van de bombardementen.

Verwoestende bombardementen

Meteen vanaf het begin maakt Harm in Berlijn veel bombardementen mee van Engelse (Royal Air Force) en Amerikaanse (United States Army Air Forces) bommenwerpers. Deze luchtoorlog, met planmatig uitgevoerde bombardementen, vindt al vanaf 1940 plaats. De Duitsers bombarderen London, de geallieerden o.a. Berlijn. De Duitsers bouwen ter verdediging drie gigantische flaktorens in Berlijn aan drie kanten van de stad. Van hier af worden met FlaK luchtafweerkanonnen de bommenwerpers met granaten bestookt. Eén van de drie flaktorens staat in de buurt van Harm namelijk bij  Wedding in Humboldthain. ( Deze Flaktoren is nu nog te bezichtigen)

Flaktoren in Humboldthain in de buurt van Harm. Bron: The Elephant Gate

Harm’s beschrijvingen van de bombardementen geven een beeld van de enorme verwoestingen van de stad. Hij schrijft uitvoerig over de bombardementen om zo zijn hart te luchten: Hoofdzaak is dat ik op de schrijfmachine mijn hart kan luchten en de druk van de ontzettende bombardementen op die manier enigszins kan ontgaan. 

Harm is nog maar net in Berlijn of in de nacht van 12 op 13 mei maakt hij al zijn eerste luchtaanval mee tijdens zijn verblijf in de Wittenauer Heilstätte. Bijna iedere nacht daarna is het wel raak. Bij het Frauenkrankenhaus, waar hij vanaf juni een kamer heeft, is een goede schuilkelder voor patiënten en personeel. Hij voelt zich daar veilig. We hebben onder het ziekenhuis een pracht van een schuilkelder. Ze ligt haast tien meter onder de grond, heeft ongeveer de samenstelling van een doolhof, met drie  uitgangen en een zware betonnen zoldering, die goed gewelfd en bovendien nog gestut is. Alleen een voltreffer zou er in kunnen komen. Verder zijn we er absoluut bomvrij. Maar omdat de aanvallen vaak ‘s nachts zijn wordt zijn nachtrust regelmatig onderbroken. Vanaf 1944 komen ook op klaarlichte dag luchtaanvallen voor.

Citaten uit Harm’s brieven geven het beste de verschrikkingen en indrukken weer van 14 maanden luchtalarm, schuilkelders, bombardementen, luchtafweer, verwoestingen en slachtoffers in Berlijn. Soms komen de bommen akelig dichtbij. Ondanks alle ellende houdt hij de moed erin en kan hij er soms zelfs met humor over schrijven. Hierbij een overzicht uit de brieven van mei 1943 – mei 1944:

17 mei 1943
Vannacht weer luchtalarm. Bij de luchtaanval van gisteren zijn twee grote Wasserkraftanlagen, stuwdammen met elektriciteitsbedrijven, volkomen vernietigd. Door de vrijgekomen watermassa’s verloren velen het leven en werden talrijke huizen verwoest. Honderden mensen verdronken in de schuilkelders.

21 mei 1943
Bijna iedere nacht hebben we luchtalarm. Meestal duurt het maar heel kort, maar toch wordt de nachtrust op een onaangename manier erdoor onderbroken. Tegenwoordig kruipen we niet meer met de gekken in de kelder, maar blijven boven op de slaapzaal. Alleen als er erg geschoten wordt, gaan we naar beneden.
Harm slaapt in mei nog bij ´de gekken’ in de Wittenauer Heilstätte. Hierna woont hij in het Frauenkrankenhaus.

16 juni 1943
Weer luchtalarm. Omdat er gedurende enige tijd  geschoten werd met lichtspoormunitie, wat een mooi gezicht was, zijn we eventjes in de schuilkelder geweest. Het personeel heeft aparte gereserveerde plaatsen. De klerenbergplaats werd C&A of Brenninkmeier genoemd.  C&A heeft namelijk ook in Berlijn filialen. Ik ben er  vandaag juist langs gekomen, een reuze zaak.

“C&A heeft namelijk ook in Berlijn filialen. Ik ben er  vandaag juist langs gekomen, een reuze zaak”. Op de foto het eerste filiaal van C. en A. Brenninkmeijer in Berlijn (vanaf 1911).

28 juli 1943
Onderweg (naar het Rudolf Virchow ziekenhuis) werd ik geheel onverwachts overvallen door luchtalarm. Er moeten dus Engelse vliegtuigen in de buurt zijn geweest. Niemand heeft echter horen schieten of vliegen.  Waarschijnlijk waren het verkenners. De bus, waar ik mee reed, ging tot vlak voor het ziekenhuis, waar ik zijn moest. De passagiers moesten toen in de openbare schuilkelder op het ziekenhuisplein kruipen, maar ik ben netjes het ziekenhuis binnengetippeld, handelde daar eerst af wat ik er te doen had en zocht toen een kelder op, waar reeds een hele afdeling patiënten zich bevond. Het was er echter zo benauwd, dat ik niet naar binnen ben gegaan, maar aan de ingang ben blijven staan. Daar kon ik ook beter in de gaten houden wat er gaande was. Ik heb het niet erg op schuilkelders begrepen. Je kunt er wel in, maar wie weet of je er nog ooit levend uitkomt.

6 Augustus 1943
Alles is hier nog steeds in de beste orde. Men heeft mij gevraagd om in verband met de te verwachten luchtaanvallen mijn advies ten beste te geven in verband met de bescherming tegen bominslag en eerste hulp.  Ik heb daartoe o.a. de Reichsluftschutzgesetze doorgewerkt en bovendien met enige instanties daarover gesproken en getelefoneerd. Alles is hier model ingericht. Alleen een voltreffer van 4000 kg kan ons hoogstens een paar schrammetjes bezorgen, maar daar blijft het dan ook bij. U (ouders in Utrecht) hebt de laatste tijd nogal te lijden onder het geloei van sirenes. Nu, een vooralarm als bij u kennen we hier ook. Het signaal daarvoor bestaat uit driemaal herhaald verkort signaal, luchtalarm geëindigd.

Berlin abwehrbereit gegen den Luft-Terror. Bewoners van Berlijn lezen de aanwijzingen van Goebbels op een reclamezuil over wat te doen bij een bomaanval. Schütz Euer Leben und Gut! Foto is gemaakt op 11 augustus 1943. Publiek domein.

14 augustus 1943
In de nacht van eergisteren op gisteren hadden we gedurende ongeveer drie kwartier luchtalarm. Dat duurde van kwart voor twaalf tot half een; zeer kort tevoren was de telefonische waarschuwing reeds gekomen en direct na het luchtalarmsignaal begonnen ze al te schieten. Dat zijn waarschijnlijk een paar verkenners geweest, die heel hoog gevlogen hebben en die pas op het laatste moment werden bemerkt. Bommen zijn er niet gevallen; ze kwamen alleen maar even kijken of Berlijn nog bestond.
Ik ben direct, toen ik het alarmsignaal hoorde, uit bed gesprongen, heb me snel aangekleed, gasmasker en helm gepakt, mijn koffer in de bunker gebracht en vervolgens ben ik bezig geweest om de patiënten in de
schuilkelder te brengen. Het is wel nodig dat er bij de patiënten, behalve de nachtzuster, ook nog iemand van het medisch personeel in de kelder aanwezig is. Er kan gemakkelijk iets gebeuren, waarbij de medicus kan ingrijpen. Bovendien zijn er altijd een paar die flauwvallen, zodra er geschoten wordt. Bovendien vind ik de patiëntenschuilkelder nog veel veiliger dan de schuilkelder voor de andere huisgenoten. De laatst genoemde ligt onder een zwak gebouwd huis van slechts twee verdiepingen, dat bovendien nog grotendeels uit hout is opgetrokken. Hoe de patiënten kelder is ingericht, heb ik reeds vroeger beschreven. Ik hoef dat niet te herhalen.  Weliswaar zijn er nog geen bommen gevallen, maar we nemen aan en de praktijk in Hamburg en elders heeft dat wel bewezen, dat een kelder die niet onder een huis ligt, veel veiliger is als een waar een huis boven staat.  Komt er een treffer in het huis, dat staat natuurlijk direct de hele boel in lichterlaaie. De zuurstof is dan snel opgebruikt  Dit is in een bunker, die op, of beter gezegd onder open terrein is gebouwd, niet mogelijk, zodat alleen een voltreffer ons wat schrammen kan bezorgen, maar verder ook niets. Levensmiddelen, water, genees- en verbandmiddelen zijn alle in ruime mate voorhanden.

16 augustus 1943
Om kwart voor twaalf was ik er al weer uit. We hadden weer luchtalarm. Zou het nu menens gaan worden? Ik heb me aangekleed en voorzien van gasmasker en Stahlhelm in de schuilkelder begeven (…). Spoedig daarop kwamen echter de eerste vliegers boven de stad. Ik zag er twee in de stralen van de schijnwerpers gevangen, terwijl aan alle kanten er om heen granaten uit elkaar barstten. Daar we echter overal de granaatscherven op de daken hoorden rinkelen, zijn we weer naar beneden gegaan. Juist op dat moment begon er vlak in de buurt een zware batterij te knallen, dat horen en zien verging. Kort daarop was het echter weer rustig geworden. Een tweede serie vliegtuigen werd op dezelfde manier ontvangen. Ik heb echter nergens bommen terecht horen komen, evenmin heb ik vliegtuigen naar beneden zien schieten. Het komt me voor dat de oostelijke helft van de stad eigenlijk is aangevallen. Nadat het weer rustig was geworden, kwam het signaal dat het luchtalarm voorbij was. Gelukkig is er niets gebeurd; ook in de buurt is er nergens iets naar beneden gekomen, behalve dan wat granaatsplinters, waarvan ik er van morgen twee op de binnenplaats vond. De rest van de nacht was het rustig.

20 Augustus 1943
Ik was gisteren avond om half twaalf van een heerlijke avondwandeling teruggekomen en ik had me juist uitgekleed, toen luchtalarm kwam.Twee maal werd er geschoten, verder bleef alles rustig. Ik heb tot nu toe nog steeds niet kunnen achterhalen, waar ergens in Berlijn bommen naar beneden zijn gekomen. Het schijnt, dat de Engelsen hier de zelfde tactiek toepassen als ze in Hamburg hebben gedaan: een tijd lang allemaal kleine snertaanvalletjes, om de bevolking in slaap te sussen en dan opeens komt er een formidabele aanval, waarbij dan natuurlijk de meeste slachtoffers vallen. Afijn, tot nu toe is het nog vrij rustig geweest.
Achteraf blijkt die nacht vooral Alexanderplatz gebombardeerd te zijn.

Station Alexanderplatz na bombardementen in 1943.

Grossangriff

Een paar dagen later is het goed raak. In de nacht van 23 op 24 augustus volgt er een enorm bombardement op Berlijn. Reinickendorf, de buurt van het Frauenkrankenhaus waar Harm woont en werkt komt er relatief goed van af. Hier vallen slechts ‘enkele’ bommen.

25 augustus 1943
In de nacht van 23 op 24 augustus heeft Berlijn weer eens een ouderwetse, of beter gezegd, een hypermoderne ‘Grossangriff’ te doorstaan gehad.  Om 20 minuten voor middernacht begonnen de sirenes te loeien en een kwartiertje later waren de Engelsen boven de stad. Ze hebben toen ononderbroken doorgevlogen tot half drie!  Meer dan twee en een half uur duurde het grote bombardement, dat alle tot dusver voorgekomen bombardementen ver in de schaduw stelde. Er zijn slechts heel weinig bommen in onze buurt terecht gekomen, maar in het Midden-Westen was na ‘Erwarnung’ een brand, die 24 uur later nog op geen stukken na geblust was. Over een gebied van meerdere vierkante kilometers zijn de bommen rij naar rij naar beneden gevallen. Meer dan 10.000 huizen zijn min of meer ernstig beschadigd. Ruim 80.000 mensen zijn dakloos geworden. Hoeveel doden hierbij zijn gevallen, is met geen mogelijkheid na te gaan. Onze keuken, die maar op 120 personen is ingericht, moest gisteren voor 400 mensen extra koken. De andere ziekenhuizen hadden overeenkomstige opdracht gekregen. Onmiddellijk werden twee dozijn patiënten aan het aardappelen schillen gezet. Ik heb zo een paar aantekeningetjes gemaakt, die ik even wil verwerken. In deze bewuste nacht is er van slapen niet veel gekomen. Mijn nachtrust duurde slechts ruim drie uren. Toen was het al weer tijd om op te staan. Zeer ernstig zijn getroffen: Marienfelde, waar in een barakken kamp 300 Russen hun laatste adem uitbliezen, tenminste, als ze daar nog de tijd voor gehad hebben. Verder: Anhalter Bahnhof bestaat niet meer; Kurfürstendamm, vele huizen en hotels zijn in vlammen opgegaan; Uhlstein-Verlag verbrand. Verder kwamen  bommen terecht in de Pulitzstrasse, vlak naast het S-Bahnstation; het Robert Koch ziekenhuis heeft zware schade, Westend Krankenhaus eveneens. Op het Innsbrucker plein kwamen ettelijke machines met volle bommenlast tot ontploffing, honderden meters in de omtrek alles vernield.

Achteraf is bekend geworden dat deze ’Grossangriff’ werd uitgevoerd door 727 vliegtuigen van de RAF en dat er 57 toestellen uit de lucht zijn geschoten.

26 augustus 1943
Over het grote bombardement kan ik u nog vermelden dat de grote motorenfabrieken van Daimler Benz bij Tempelhof volkomen zijn vernietigd. Verder gaat alles zijn gewone gang. 

In de nacht van 3 op 4 september volgt er alweer een enorm bombardement waarbij ook het Frauenkrankenhaus er aan moet geloven. Daarna moet Harm in zijn eentje aan de slag met de vele gewonden. Hij doet daarover nog diezelfde nacht uitgebreid verslag aan zijn ouders.

4 september 1943 half vijf ’s morgens,
Ontzettend is dit bombardement geweest, waar we ditmaal middenin hebben gezeten. Ook ons ziekenhuis heeft er zijn deel van meegekregen. Een aantal brandbommen is door het dak van het huis en de portierswoning gevlogen en hebben er wat schade aangericht. Door snel optreden van de brandwachten konden de branden spoedig geblust worden. Honderden bommen zijn om ons heen gevallen. Alle ruiten zijn kapot, plafonds en deuren ingezakt. Nadat om half drie het signaal ‘Veilig’ was geblazen, konden de patiënten nog niet uit de kelder komen vanwege de rook, die in dikke wolken van een naburige brand over ons heen woei en het uitzicht ten zeerste belemmerde. Met mijn gasmasker op kon ik me er doorheen wagen, want men had om me geroepen. Het bleek dat er twee gewonden waren binnengebracht, die onmiddellijk geholpen dienden te worden. De een had zijn gezicht vol glassplinters en een diepe snijwond over de onderkaak, zodat het bot en de tandwortels bloot lagen. Dat heb ik direct gehecht. De ander had een slagaderlijke bloeding aan de linker pols.  Ik snoerde de arm af en stuurde de patiënt met een briefje en bekwame spoed naar het Erwin Liek ziekenhuis door voor een vaatnaad, een operatie, die ik hier niet kan uitvoeren aan de patiënt. Met een en ander was ik nog niet klaar (Dr. Herrmann was, zoals gewoonlijk, niet thuis, en dus stond ik voor alles alleen!) of men kwam met enige lichtgewonde patiënten van de militaire kazerne, tevens hulplazaret, die door scherven waren verwond. Vlak daarop een vrouw met fosforbrandwonden, die ik met een houten spatel uitkrabde en daarna verbond met sodawater. Toen werd het wat stiller. Op een gegeven moment kwam een verlofganger me halen, omdat er ergens in de buurt nog mensen onder het puin begraven lagen. Direct heb ik de eerste hulp tas gepakt en ben meegegaan. Voorzien van helm en gasmaskers kropen we over en door rokende puinhopen en glasbergen, tot ik in de kelder kon komen. Daar verbond ik bij het licht van een straatlantaarn – de elektrische leiding was kapot – twee vrouwen met hoofd en armwonden. Gelukkig van weinig betekenis. En ik hielp mee met een bewusteloze naar buiten te dragen, waarbij ik niets anders kon vaststellen dan een ernstige hersenschudding, veroorzaakt door een balk, die door de gassluis naar binnen kwam zeilen. Op mijn terugweg, ongeveer vier uur, werd ik voorgelicht door de ontzettende vuurgloed, die er van de brandende Hermann Goeringkazerne uitstraalde. Deze kazerne ligt op ongeveer een of anderhalve kilometer afstand maar de brand was zo hevig, dat de nacht daghelder was, een zaklantaarn was volkomen overbodig, ik kon de notities er bij lezen, die ik in de schuilkelder had zitten pennen. Ook een Feldlazarett en een munitiefabriek staan er in lichterlaaie. Iedere seconde flikkeren er in de brand sterke explosies op van de munitie, die er ligt opgestapeld.  Hoge steekvlammen schieten opeens uit en doen ieder steenkorreltje, dat er op straat ligt, schitteren. Hier en daar is de straat omgeploegd. Een eindje verder steken de tramrails in de hoogte. Overal zijn gaten in de grond van de brandbommen. De Engelsen hebben dus hun oude tactiek toegepast: eerst flink de boel kapot gooien en dan de brand er in. Ze hebben enorme hoeveelheden termietbommen uitgestrooid. De resten van de brandbom, die vlak naast de keldertrap was ingeslagen, heb ik later uitgegraven en die liggen nu op mijn kamer. Om half vijf was ik weer thuis en ik had me nauwelijks in bed gelegd of de zusters kwamen me weer roepen voor gewonden, die zojuist waren binnengebracht. Ik er weer uit. Een hoofdwond met hersenschudding en een diepe vleeswond aan de bovenarm. Om half zes was de operatie verricht, de wonden waren gezuiverd en genaaid en ik lag weer in mijn bed. Ik had echter niet geslapen toen mijn wekker om half zeven afliep. Ik was nog te opgewonden. Ik heb toen mijn dagelijks ochtendbad genomen, wat vandaag lichtelijk fris was, want alle vensters waren uit de badkamerramen verdwenen en lagen in duizend splinters op de straat. Daar knapte ik een beetje van op. Toen ontbijt met een sterke kop koffie. En om half acht hadden de patiënten de behandelingszaal weer zover op orde, dat we met de dagelijkse arbeid een aanvang konden maken. Sommige patiënten waren naar bed gegaan, maar anderen waren te druk, en werden dus aan het opruimingswerk gezet, zodat ze rustig de gelegenheid hadden om zich te kalmeren. Om half elf ben ik achter de schrijfmachine gaan zitten, en heb me deze nacht nog eens aan mijn geestesoog voorbij laten trekken. En nu ben ik geheel gekalmeerd. Na het middageten ga ik naar bed, en wanneer ik dan wakker word, dat weet alleen de hemel.
Liefste Ouders, beste allemaal. Ik geloof, dat dat voor vandaag weer voldoende is. Ik heb getracht nog even een kleine indruk te geven, van wat me vannacht heeft bezig gehouden. U ziet, we hebben het er gelukkig allemaal zonder kleerscheuren afgebracht, dank zij onze goede kelder en de bijzondere bescherming van Maria.  Ongerust hoeft u zich helemaal niet te maken, want als u deze brief leest, dan denk ik haast niet meer aan het gebeurde, dan is alles al weer lang voorbij. We leven ontzettend snel hier in Duitsland. Terwijl ik dit laatste typ, ontploffen er op enige afstand een zestal blindgangers. Maar door zo’n beetje lawaai laat ik me nu niet meer van de wijs brengen.
Lievelingen. Deze brief moet nog voor het eten op de bus en daarom sluit ik met de meest hartelijke groeten aan u en alle bekenden en ontvangt veel, ja heel veel dikke zoenen van uw kerngezonde, maar nogal vermoeide zoon.

De bombardementen van 3 – 4 september werden uitgevoerd door 316 Lancesters van de RAF.

Verwoestingen na een bom op een ziekenhuis in Berlijn, NIOD 3479

Na een bombardement volgt vaak een enorme vuurzee  zoals hierboven en hieronder door Harm wordt omschreven:
16 september 1943
Als het hier aan het fikken is dan maakt dat de indruk, alsof de zon in het water gevallen is en onder water nog tegen de stoomwolken doorgloeit. Het lijkt dan wel alsof aarde en water vuur hebben gevat en in lichterlaaie staan. De branden, die hier na bombardementen oplaaien zijn onbeschrijfelijk en vaak roken de puinhopen een week later nog, zoals op twee plaatsen in de Müllerstrasse het geval was. Dat was geen fantasie, want ik heb het met eigen ogen gezien. De hitte bij dergelijke branden is zo groot, dat de stalen dubbele T-balken, die de hele verdieping dragen, afgesmolten zijn en veranderd in vormen, zoals die men wel ziet in druipsteen grotten.  Een zaagmachine zag ik, waarvan de cirkelzaag aan het tafelblad was vast gesmolten.

Greatest raid in history sets Berlin aflame, 1000 planes hit heart of capital aldus The Sun op 23 november 1943, Alamy Stock Photo

Om u te laten weten dat het ziekenhuis half in puin ligt

Ook op vrijdagavond 25 november volgt er een bombardement waarbij het Frauenkrankenhaus flink geraakt wordt en door brand half in puin komt te liggen. Harm overleeft de verschrikkingen.

Berlijn, 30 november 1943
Bij gebrek aan inkt schrijf ik u dit briefje om u te laten weten dat het ziekenhuis half in puin ligt. We hebben een brand gehad, die duurde van vrijdagavond 9.20u tot zaterdagmorgen. Het brandde bij ons op 4 plaatsen tegelijk. We deden wat we konden om zo veel mogelijk te behouden. Berlijn ziet er op het ogenblik uit als Hamburg en Keulen. Vandaar dat we met onze patiënten (70 zijn er nog over, de anderen zijn hem gesmeerd) in de puinhopen en ruïnes wonen, want we weten niet waarheen. Drie nachten heb ik in de schuilkelder gelogeerd met 7 matrassen en 4 lakens. We hebben geen gas, nauwelijks water en sinds korte tijd weer elektriciteit. Koken doen we in een wasketel op een houtvuurtje op de binnenplaats. In een van de kamers van het ketelhuis hebben we provisorisch een en ander ingericht, zodat we gisteren weer een paar injecties hebben kunnen uitvoeren. Er is echter een nijpend gebrek aan geneesmiddelen en instrumenten. Steriliseren geschiedt eveneens op een ketelvuurtje. De levensmiddelenvoorziening is hopeloos. Gelukkig had onze ‘Wirtschaftlerin’ (magazijnmeester) nog wat voorraad. Dagelijks krijgen we van de centrale keuken 5 ketels soep (voor 90 personen). Een geluk dat ik indertijd een en ander heb opgespaard. Een verschrikkelijke week hebben we achter de rug. Wie dit niet persoonlijk heeft doorgemaakt, kan daarover geen oordeel vormen. (…)maar ondanks alles laat ik mijn kop niet hangen. Luctor et emergo. Maar ik moet hard worstelen om boven te blijven, want mijn krachten zijn langzamerhand uitgeput. Zondagavond in het donker hebben we nog smeulende matrassen geblust. Gisterenmorgen in de vroegte begon de brand opnieuw (fosfor). Ramen en deuren hebben we niet meer. In een maand tijd zou het ziekenhuis weer bruikbaar gemaakt kunnen worden: nieuwe ramen en deuren, een provisorisch dak, gerepareerde centrale verwarming. Maar in die tussentijd is het kou lijden. Een klein katje heeft bij ons haar thuis gezocht. Het eet bij mij in de bunker. En slaapt bij de patiënten in bed.

Het Frauenkrankenhaus  wordt na het enorme bombardement van 25 november weer opgelapt en de werkzaamheden gaan zo goed en zo kwaad als het gaat weer gewoon door.

De RAF meldt in het dagverslag over deze aanslag: Berlin was attacked by 443 Lancesters and 7 Mosquitos. The weather was clear over Berlin. Most of the damage in Berlin was in the suburb of Reinickendorf, smaller amounts of bombing fell in the centre and in the Siemensstadt (with many electrical factories) and Tegel districts. The Berlin Zoo was heavily bombed on this night. Many of the animals had been evacuated to zoos in other parts of Germany but the bombing killed most of the remainder. Several large and dangerous animals – leopards, panthers, jaguars, apes – escaped and had to be hunted and shot in the streets.

Restanten van het olifantenhuis in de Zoologische Garten na een bombardement, historiek.nl

Orchestrated Hell !!

CBS radioverslaggever Edward Murrow vliegt op 2 december 1943 als reporter mee op een vlucht met een Lancaster bommenwerper naar Berlijn en spreekt na dit bombardement met  eigen ogen gezien te hebben de legendarische woorden A thing of orchestrated hell-a terrible symphony of light and flame.

Edward Murrow voor de CBS microfoon. World War II database.

12 december 1943
Politioneel is vastgesteld, dat er in Berlijn 1.400.000 daklozen zijn op 4-5 miljoen inwoners. In Alt Moabit staat nog 8% van de huizen. Over het aantal doden kan ik geen goede inlichtingen te pakken krijgen. Dit is dan ook wel heel moeilijk na te gaan, daar verreweg de meeste doden onder het puin begraven liggen en er de eerste drie jaar nog wel niet onderuit zullen komen. Ik heb verschillende mensen gesproken, die bij het bergen van de lijken hebben meegeholpen. Meestal zijn het schuilkelders, die door een voltreffer getroffen zijn. Daar is natuurlijk niets tegen bestand.

17 december 1943
We hebben het een hele tijd lang erg rustig gehad dank zij het lichtende mannetje in de maan. Maar gisterenavond had genoemde mannetje zich wat verlaat. En dat schenen de tommy’s geweten te hebben, want ze zijn weer eens met een duizendtal vliegtuigen een kijkje boven Berlijn wezen nemen in een aanval, die gisterenavond plaatsvond. Die duurde van kwart voor zeven tot even voor half tien!                            
En daarna hadden we geen mannetje in de maan meer nodig, want het was op straat al weer daghelder van de branden, die in het centrum van de stad en in het oosten woedden  U- en S-bahnverkeer waren natuurlijk al weer hopeloos in de war. Maar dat kon gelukkig nog op tijd worden verbeterd, anders had ik vanmiddag mijn patiënten niet onder handen kunnen nemen. Na ‘Entwarnung’ hoorde ik de mensen vertellen, dat er op de hoek van de straat een stuk van een vliegtuig naar beneden was gekomen. Ik ben er even wezen kijken. Het waren de laatste twee meters staart van een viermotorige Engelse bommenwerper. Deze staartvlakten waren zo groot, als tien jaar geleden een heel vliegtuig. Ik heb een stukje van de bekleding afgesneden en plak ik in deze brief. Allen ‘Made in de USA”. Veel last hebben we van dit aanvalletje niet gehad. Er zijn wel bommen in de buurt terecht gekomen, maar dat is werkelijk niet de moeite waard.

´´Ik heb een stukje van de bekleding afgesneden en plak ik in deze brief.“ Foto van het stukje van de vliegtuigbekleding dat vastgeplakt zit aan de brief van Harm aan zijn ouders van 17 december 1943. Familiearchief Waterborg-Wijburg.

26 december 1943
24 december groot bombardement op Midden-, Noord- en Zuidoost-Berlijn.

30 december 1943
Tempelhof en Neukölln gebombardeerd. Ik geef hieronder een lijstje van de grote bombardementen, die er in Berlijn zijn neergekomen. Alleen de eerste heb ik hier niet meegemaakt, maar alle andere wel. Behalve enkele kleinere aanvalletjes was de eerste grote aanval op 1 maart 1943.  Daarna 23 en 31 augustus, en 3 september. De volgende serie begon op 18 november, daarna op 22, 23 en 25 november (!) en op twee december. De derde serie begon op 16 december, verder 24 en 30 december. Zoals u ziet, vielen de aanvallen juist in de periode van de nieuwe maan. 

15 januari 1944
Door een schijnaanval op Berlijn is Magdeburg behoorlijk verwoest.

30 januari 1944
Deze week is nogal druk bezet geweest en de avonden hebben we voor een deel in de schuilkelder doorgebracht, want er waren twee grote aanvallen. De eerste aanval vond plaats in de nacht van woensdag op donderdag, waarbij vooral het zuidoosten, zuiden en zuidwesten van de stad het zwaar te verantwoorden hadden. De tweede aanval, in de nacht van vrijdag op zaterdag, was een van de grootste aanvallen, die Berlijn tot nu toe heeft gekend.  Het spul begon vrijdagavond, om een uur of tien.  Ik had juist mijn kookplaat naar beneden gebracht, zodat de nachtportier zich wat koffie kon warmen.  Ik was nog even blijven napraten, toen het klepje van de telefooncentrale naar beneden viel en ‘Verdunkelungserleichterung aufgehoben’ naar beneden viel. Daar ik, naast de heer Dittert, ‘Luftschutzwart’ de enige man in het huis was, heb ik natuurlijk direct een boel te doen. Van het voorhuis moeten alle verduisteringen opgerold, de ramen geopend en de koffers naar beneden in de kelder gebracht worden. Toen dat goed en wel gebeurd was, kwam het openbare vooralarm, gegeven door de sirenes met drie korte stoten. De patiënten moesten naar de kelder worden geleid en we moesten nagaan of er eventuele achterblijvers waren. Gelukkig bleef het bij vooralarm en werd na enige tijd weer veilig geblazen. Zodoende lag ik om half twaalf in bed. Mijn rust duurde echter niet lang, want om half één was al weer de lucht onveilig. En bleef het tot kwart voor drie. Toen werd alarm geblazen en alles dook in de schuilkelder. Kort daarop begon een ontzaglijk geronk van vliegtuigen, die ik enorme hoeveelheid luchtmijnen, brisantbommen, brand- en fosforbrandbommen naar beneden lieten vallen. De aanval duurde ruim een uur. Om half vijf was het weer betrekkelijk rustig geworden. Van slapen kwam niet veel meer. Spoedig kwamen de eerste gewonden binnen. Een gebroken arm, schaafwonden, verzwikte enkels en dergelijke.  Net was dat klaar, toen er iemand mij kwam halen voor een vrouw, die op straat was gevonden met een bloedende hoofdwond. Men had ze in een portiek neergelegd, daar de schuilkelder te ver weg was. Mijn tas met verbandmiddelen stond klaar en ik er op uit. In genoemde portiek vond ik een vrouw van ongeveer 65 jaar, die op weg naar de schuilkelder, een granaatsplinter precies midden op het hoofd had gekregen. De splinter stak een eind buiten de schedel uit en had waarschijnlijk het schedeldak doorboord.  Toevallig had ik een spuit met novacaine bij me om door omspuiting de wond gevoelloos te maken (…) Om zes uur ging ik nog even op bed liggen, maar van slapen kwam niets meer. 

2 februari 1944
Van station Savignyplatz is alleen de spoorlijn nog over.

9 februari 1944
Vele dagen lang vele malen per dag Engelse vliegtuigen boven de stad.

En alweer wordt het ziekenhuis geraakt, nu door een grote fosforbrandbom:

18 februari 1944
Ik zou u van alles kunnen vertellen over het grote bombardement van de 15e ’s avonds, waarbij we een knaap van een fosforbrandbom in zaal IV kregen, die we met man en macht hebben geblust. Ik zou u kunnen vertellen van de grote verwoestingen en van de enorme verkeersstoringen. En van de hulp, die ik heb verleend en van de mensen, die ik in de laatste paar dagen heb gesproken. Ik doe dit niet, want anders zou ik maar telkens in herhaling vallen. Ik had voor vanavond een heel ander plan. Ik ga liever wat vrolijks schrijven over verschillende ziekenhuisgebeurtenissen, die ik zo in de loop van de tijd ben tegengekomen.

De aanval van 15-16 februari op Berlijn van de RAF werd uitgevoerd door  891 vliegtuigen. Dit was de grootste aanval van de RAF op Berlijn.

No.12 RAF squadron 17 februari 1944 betrokken bij bombardement op Berlijn. Bron: webarchive national archives.gov.uk

20 februari 1944
Ik ben tegenwoordig zo’n beetje een waarschuwingscentrale. Dat komt omdat ik hier connecties heb met het O.K.W. in Nederland. Daardoor kan ik vroeg te weten komen of er Engelse formaties boven Nederland invliegen, hoe groot die zijn en waar ze vermoedelijk naar toe gaan. Zo weet ik vaak minstens een uur voordat we van de magistraat bericht krijgen, dat er vliegtuigen naar Berlijn onderweg zijn. Harm geeft dit dan door aan bekenden en krijgt daarvoor als dank levensmiddelen of een etentje.

7 maart 1944
De vermoeienissen van gisteren stonden vooral in het licht van de eerste aanval der Amerikanen op Berlijn overdag. Deze aanval werd ondernomen door circa 1000 vliegtuigen, waarvan ik verschillende heb gezien. Ik telde er op een gegeven moment 115 bij elkaar in de lucht. De flak schoot er razend tegenin en enorme zwermen wolkjes van de ontploffende granaten verschenen in de lucht. Ik zag 9 vliegtuigen brandend en 2 onontbrand naar beneden komen dwarrelen. In de stad zelf werden vrijwel geen bommen gegooid, maar des te meer in de periferie en de aangrenzende voorsteden, waarbij vooral Trichterfelde, Spandau, Königswüsterhausen en Zehlendorf het zwaar te verantwoorden hadden. De aanval zelf duurde niet lang en kort daarna ging in de stad het leven weer zijn gewone gang. Ik ging dus zoals gewoonlijk naar de praktijk, waar de ‘Pfleger’ me vertelde, dat Dr. Erichson naar Zehlendorf was geroepen, om daar te helpen bij de verzorging van gewonden. Ik heb dus van half vier tot zes uur de bende patiënten alleen afgewerkt. Eergisteren was de hele dag een dreiging in de lucht, toen ik me na het middageten een uurtje op bed had ‘hingehauen’, werd er drie maal ‘Luftgefahr 15’ gemeld. In het totaal hadden we 5 keer luchtgevaar. 
De melding ‘Luftgefahr 15’ betekent dat 15 minuten na het alarm de bommenwerpers worden verwacht.

Amerikaanse bommenwerpers boven Berlijn 8 maart 1944, NIOD 11526

8 maart 1944
Vanmiddag hebben we de tweede aanval van de Amerikanen op Berlijn gehad. De aanval duurde ruim 2 en een half uur. Ze was zeer interessant. Samen met Herr Dittert (‘Luftschutzwart’, beste kerel, goed gelovig katholiek) heb ik op het dak gestaan. We hadden van daaruit een prachtig overzicht van gebeurtenissen die zich op circa 8 kilometer hoogte afspeelde. Op circa 40 kilometer ten zuiden van Berlijn kwamen enige grote groepen aanvliegen. Deze verdeelden zich spoedig en voerden geconcentreerde aanvallen uit op verschillende voorsteden van Berlijn. Daar na verzamelden ze zich weer aan de zuidkant van de stad om met een grote boog over ons heen te vliegen en in westelijke richting te verdwijnen. Met behulp van sterke kijkers hebben we kunnen vaststellen dat datgene, wat we gisteren voor neervallende brandende vliegtuigen hebben gehouden, geen vliegtuigen waren, maar een soort parachutebommen, die een bepaald rookspoor achterlaten en dus als een of ander signaal dienst doen. Het verschil was duidelijk, want we zagen ook een vliegtuig (nu echt, zonder fantasie)brandend naar beneden komen. Dat zag er toch wel een beetje anders uit, want daar bleef zwarte rook hangen en geen witte. In de kranten worden 140 vliegtuigen bij de dagaanval van maandag als afgeschoten vermeld. Eerst, waar ik de merkbommen voor vliegtuigen hield, vond ik dit getal niet overdreven, maar op het ogenblik geloof ik, dat de Duitsers ook op dit punt weer schromelijk hebben overdreven. Want ofschoon de flak bijna twee uren heeft geschoten en we ook bijna twee uren op het dak hebben gestaan, hebben we slechts één vliegtuig naar beneden zien komen. Nou, en de rest zal wel naar evenredigheid zijn.

”Want ofschoon de flak bijna twee uren heeft geschoten en we ook bijna twee uren op het dak hebben gestaan, hebben we slechts één vliegtuig naar beneden zien komen” Foto van Flak Turm Humboldthain april 1942 met afweergeschut. Bundesarchiv Bild 183-H27779

24 maart 1944
Wie hier telefoon en radio heeft kan een koperdraad van de telefoon als antenne in de radio steken. Ieder halfuur wordt bij een bepaalde afstemming hoorbaar “Achtung, Achtung, Luftlagemeldung von .. ..Uhr 30. Das Deutsche Reichsgebiet ist frei von feindlichen Flugzeuge. Dikwijls is te horen, dat er vliegtuigen binnen vliegen via Frankrijk, België en Nederland. Deze “Drahtfunk” geeft ons enig idee wat er kan gebeuren. Hoe dichterbij de vliegtuigen komen, des te frequenter worden de mededelingen. De U-Bahn in de Mullerstrasze tegenover de Jozefkerk heeft een voltreffer gehad.

In maart 1944 worden ondermeer de Mauser fabrieken volledig verwoest:

26 maart 1944
Zoals ik nog met potlood onder de vorige brief had geschreven, hebben we op de avond van de 24ste nog een zware aanval meegemaakt. Er waren blijkbaar nogal wat nachtjagers in de lucht, want de flak bleef vrijwel gedurende de gehele aanval werkeloos. Deze stilte was bepaald luguber, want ieder vliegtuig dat er in de lucht was, konden we horen vliegen. Daar waren er, die zwaar en monotoon voortschoven door de lucht en daar waren er die bochten draaiden en loopings maakten. Dat waren bommenwerpers en nachtjagers. Verder scheen het stil te zijn. Maar het was niet stil, alleen ons oor kon geen verschil in toon horen in de voortdurende bommenregen, die op het zuiden de stad neerviel, en die bij ons in het noordwesten klonk als het ver verwijderde gebrom van een paar dozijn zware oceaanstomers. We voelden dat er bommen vielen, want de grond dreunde en schudde heel fijntjes als bij een verwijderde aardbeving heen en weer. We zagen dat er bommen vielen, want de lichten brandden onregelmatig, zwak, met een vuil geelbruine kleur. Dit zwakke, ongelijkmatige [patroon] wijst op een groot aantal kortsluitingen, veroorzaakt door tal van instortende huizen in deze fikse bommenregen. Toen we na de aanval op het dak gingen kijken – een voorzorgsmaatregel, die we steeds nemen om na te gaan of er misschien door blindgangers gaten in het dak zijn geslagen – zagen we de zuidwestelijke, zuidelijke en zuidoostelijke hemel door een zware vuurgloed roodgekleurd. Ofschoon de branden naar schatting minstens tien kilometer ver weg waren, was de nacht zo helder verlicht, dat we er de krant bij hadden kunnen lezen. Blijkbaar is er, ondanks de nachtjagers een aaneengesloten bommentapijt gelegd, dat alles over een lengte van 15 kilometer en een breedte van 2 kilometer met de grond gelijk heeft gemaakt. De branden waren zo uitgestrekt en hevig, dat er aan blussen nauwelijks te denken viel. Alleen de rand van het bommentapijt kon in bewerking worden genomen. Het centrum van de vuurstorm kon niet worden bereikt.  Enige duizenden mensen zijn bij deze aanval om het leven gekomen. Niet doordat ze een bom op hun hoofd kregen, maar omdat ze geen gelegenheid hadden om uit hun kelders te komen en de vuurstorm te ontvluchten.  Verschillende grote fabrieken van Mauser en Telefunken, Adler en Mercedes zijn volkomen verwoest. Op verschillende plaatsen zijn voltreffers gevallen. Daar is niemand meer levend uitgekomen om te vertellen wat die mensen in de laatste seconden van hun leven hebben meegemaakt en ondervonden. Ik heb gisteren de plaatsen bezocht, waar bij de dagaanval van de 22ste maart de meeste bommen naar beneden zijn gekomen.  Dat zijn: Leopoldplatz en Nettelbeckplatz. Op het eerst genoemde plein zijn twee voltreffers in de U-Bahn terecht gekomen. Waarschijnlijk zijn daarbij ook meerdere doden gevallen, want op die plaats stond juist een trein.

Kaart van o.a. Reinickendorf Oost en Wedding. In Wedding liggen de zwaar beschadigde Müllerstrasse en de Leopoldplatz waar Harm over schrijft. Iets rechts van Wedding ligt Humboldthain, plek van de Flaktoren met afweergeschut. Historischen Stadtplan Berlin, steffen.in-berlin.de

3 mei 1944
Onze bunker in de tuin heeft vandaag een nieuwe beschermende laag gekregen in de vorm van 100,000 kilo cokes. Dat is een laagje van twee meter dik, over de hele kelder verspreid. Dat kan heel wat tegen houden. Binnenkort wordt het zaakje van binnen nog eens extra gestut en dan kunnen we ook een voltreffer krijgen zonder dat er wat kan gebeuren. Want cokes is veel weerstandskrachtiger dan zand, omdat het uit onregelmatige stukken bestaat.  Het enige gevaar dat er nu nog bestaat, zijn de fosforbrandbommen, ofschoon dit gevaar ook weer vrij gering is, daar cokes een hoge ontbrandingstemperatuur nodig heeft. Die fosforrommel kan deze temperatuur niet of nauwelijks ontwikkelen. Door de enorme bergen puin die overal liggen gaat het bij wind vreselijk stuiven. De straten zijn bedekt met een dikke laag stof. Toen ik donderdag thuis kwam, had ik mijn oren, ogen, neus en jaszakken vol stof en zand zitten.

7 mei en 8 mei 1944
Zware aanval op oosten van Berlijn.

Bommenregen

Bij een zwaar bombardement overdag tijdens lunchtijd worden de 100.000 kilo cokes van het bunkerdak van het Frauenkrankenhaus totaal weggeblazen door een voltreffer. Harm schrijft hier over:

21 mei 1944
Ondertussen kwamen er onrustbarende berichten binnen over verschillende groepen jacht- en bombardeervliegtuigen, die op onheilspellende wijze een tangbeweging om de stad Berlijn aan het doorvoeren waren. Nadat we dus ons maal beëindigd hadden, pakten we de koffers en de rugzak in en wachtten op de dingen die zouden gaan gebeuren. Al spoedig kwam ‘Luftgefahr 15’ en we trokken dus gepakt en gezakt naar de schuilkelder, die zoals ik indertijd al verteld heb, bedekt is met 45 cm beton en daarop twee meter dik cokes.  De ‘Drahtfunk’, die we tot in de kelder hadden doorverbonden, meldde spoedig de eerste vijandelijkheden van de vliegerafweerkanonnen en weldra hoorden we de eerste golf vliegtuigen over ons heen  brommen. Kort daarop een tweede golf en kort daarop de derde. Terwijl de derde golf overvloog, begon er een oorverdovend gefluit en gekraak en geboems om ons heen, alsof alle kanonnen van de ‘Sperrgürtel’ van Berlijn, benevens alle draaiorgels van de stad Amsterdam tegelijkertijd begonnen te werken. Een ongelofelijke kakofonie van geluiden, waarin ieder enkel geluid in de massa verloren ging. Dit duurde zo ongeveer twee of drie minuten.  Toen was de golf voorbij en we sprongen de kelder uit om te kijken wat er van het ziekenhuis was overgebleven.  Wonder boven wonder stond de hele boel nog overeind, ofschoon natuurlijk de ruiten het weer hadden moeten ontgelden. (…)  Aldus, toen we buiten kwamen, zagen we dat het benedenhuis er nog stond, hoewel zonder  vensters. Maar alle muren waren met kleine, zwarte puntjes bespikkeld. We dachten eerst dat er ergens een fosforbom was ontploft, die ook de muren met zwarte plekken pleegt te besprenkelen, namelijk van de roet der brandende kunstharsmassa. Maar deze vlekken waren toch anders, net alsof iemand er met cokes tegenaan had geworpen. Cokes! Cokes!!! Wat was er gebeurd? De cokeshoop van onze schuilkelder was weggeblazen, ver in het rond. We hadden een voltreffer op de schuilkelder gekregen en er niets van gemerkt. Het moet geen klein bommetje geweest zijn, want de hoeveelheid cokes die op de kelder lag, was circa 200 kubieke meter! Die hoop cokes had dus wel zijn goede diensten bewezen. Door het uiteenblazen van die geweldige hoeveelheid massa was de kracht van de luchtdruk zo verzwakt, dat het ziekenhuis zelf maar heel weinig schade van betekenis had gekregen. Brand was er bij ons niet te bespeuren, ofschoon de binnenplaats door de rook van de omringende branden onoverzichtelijk was geworden. We doken dus weer in de kelder, want in de verte schoot de flak al weer flink tegen de vierde golf vliegtuigen. Bij deze bommenregen van een kwartier is het verder gebleven.

Een Amerikaanse USAAF bommenwerper boven Berlijn is geraakt door afweergeschut op 19 mei 1944, foto: US National Archives

22 mei 1944
Er braken als gevolg van het bombardement in de stad verschillende grote en vele kleine branden uit. De grootste brand ontstond in het Oosten van de stad, waar een uur na het alarm een enorme cumuluswolk opsteeg, die, ondanks de matig sterke westenwind een hoogte van 15 – 20 kilometer bereikte. Die wolk werd veroorzaakt door de hete, opstijgende lucht, die in de hogere regionen afkoelt, waarbij de waterdamp condenseert. Er was een typische overeenkomst met de verschijnselen van een eruptie van een vulkaan, maar veel groter en uitgebreider. Men zou zich een krater van verschillende kilometers doorsnee kunnen denken, waaruit enorme rook- en stoomwolken opwellen. Het was een majestueus gezicht, vooral toen de hemel nog wat opklaarde en de wolk eenzaam en hoog verheven in de lucht stond. De hoogte van de wolk berekenden we volgens het eenvoudige principe van de planimetrie, waarbij de driehoek in zijn geheel bekend is, wanneer een zijde en twee hoeken bekend zijn. De bekende zijde is in dit geval de afstand van het ziekenhuis tot in het centrum van de brand, de ene hoek wordt gevormd door de aardoppervlakte en de loodlijn, die door de top van de wolk gaat, en de andere hoek door de lijn vanuit ons oog naar de basis en de top van de wolk. Deze laatste hoek mat ik met behulp van een stukje papier, dat ik als sextant gebruikte, de basis mat ik op de kaart, nadat ik van verschillende zijden gehoord had, dat de ergste brand achter het Alexanderplatz begint. De basis bedraagt ongeveer 15 kilometer, de hoek is ruim 45 graden.

Tweede Pinksterdag, 29 mei 1944
Erg ver zijn we gisteren niet gekomen, door een fraaie manoeuvre van de Amerikanen. Er waren verschillende formaties onderweg, die allemaal vrijwel direct koers namen op Berlijn. Er kwam dus rechttijdig de mededeling ‘Luftgefahr 15’, daarna vooralarm en daarop luchtalarm. Door de mededeling van de ‘Drahtfunk’ konden we de loop van de dingen volgen en we kwamen tot de conclusie, dat de vliegtuigen na op ongeveer 50 km van Berlijn te zijn gekomen, naar het zuidoosten afbogen en in de richting van Saksen vlogen. Zodoende bleef Berlijn gespaard, maar het was toch wel even een benauwd half elfje, want het leek er veel op, dat we er flink van langs zouden krijgen.

Harm zal wonder boven wonder alle bombardementen gedurende de 14 maanden dat hij in Berlijn verblijft overleven. In totaal zijn er tijdens de oorlog 363 bombardementen op Berlijn geweest met 68.000 bommen met veel doden, gewonden en daklozen als gevolg. De meeste aanvallen zijn door de RAF uitgevoerd. Op 3 februari 1945 ( Harm is dan al weg uit Berlijn) vindt de grootste en hefstigste aanval plaats met tussen de 20.000 en 50.000 slachtoffers. Een groot deel van Berlijn ligt na de oorlog in puin.

Amerikaanse B 17-s boven Berlijn op 3 februari 1945. De meeste huizen op de grond hebben al geen dak meer. Warfarehistorynetwork.com
Berlijn ligt in puin, NIOD 3521
Op zondag naar de kerk en parochiewerk

Harm is gelovig katholiek. Op zondagen gaat hij naar de kerk, de Mariakerk, St. Marienkirche, van het dekenaat Reinickendorf of de Ritakerk (van 1929) op het St. Hedwigkerkhof iets verderop in de Berlinerstrasse.

16 mei 1943
Vandaag is het zondag. Met een heel stel zijn we naar de Sint Ritakerk gegaan, die ligt op het St.Hedwigkerkhof in de Berlinerstrasse. Daar was deze morgen om tien uur een schitterend gezongen hoogmis met predikatie vooraf. Dat vonden wij nogal raar, maar een theologisch student uit Tsjecho-Slowakije vertelde dat dat hier zo de gewoonte was. Hij vertelde nog veel meer wonderlijke dingen, o.a. dat na luchtalarm de kerkdeuren van regeringswege niet voor tien uur ’s morgens worden geopend; en, aangezien het voor velen onmogelijk is zondagsmorgens naar de kerk te gaan, zijn er ’s middags ook nog missen, namelijk om 5 en om 8 uur. Om onder die missen te communiceren moet men nuchter zijn vanaf ’s middags 12 uur. Gedurende korte tijd hadden we vannacht luchtalarm. Er werd echter weinig geschoten. 

Ansichtkaart van de St. Ritakerk in Reinickendorf-West.

11 juni 1943, Toen ik uit de kerk kwam, ontmoette ik een van de zusters. Die vertelde mij dat de zusters zo blij waren als ze een jongeman in de kerk zagen, waarbij het voor hen er niet op aan kwam of het nu een Rooms-katholieke of een Evangelische was.

Door de bombardementen van 10/11 september raakt de kerk nogal beschadigd. Het zangkoor brandt uit en het orgel is vernield. Dakpannen zijn weggeblazen en alle ruiten zijn kapot. Met man en macht wordt de schade zoveel mogelijk weer hersteld.

Interieur van de St. Ritakerk, foto uit 1952. Katholische Kirchengemeinde St. Rita.
Detail van het glas in loodraam van de St. Ritakerk. Katholische Kirchengemeinde St. Rita.

30 april 1944
Vanaf maandag gaan de zomerdiensten in de kerken beginnen. Missen ’s zondags om zeven uur, negen uur en half elf. Door de stand van de zaalvisite om half tien kan ik dus alleen maar de vroegste of de laatste mis nemen, om dan een flinke lange luierdag voor me te hebben. Voor het geval, dat er ’s zondags tussen nul en tien uur alarm komt, is de regeling: 10.15, 11.30 en 5 uur namiddag. Wanneer er alarm zou komen tijdens de mis, dan kan, voor de consecratie, de mis worden afgebroken. De gelovigen moeten dan de volgende mis bezoeken. Na de consecratie wordt direct overgegaan tot de communie, waarna de gelovigen aan hun zondagsplicht hebben voldaan, zodat dan de mis ook kan worden afgebroken. Het bijwonen van de volgende mis is dan niet verplicht.

Pinksteren 25 mei 1944
Vannacht hadden we, na de 48 uur rust, weer eens alarm en vanmorgen om tien uur was het al weer ‘dicke Luft’. Maar we zijn toch maar naar de kerk gegaan, waar de Pinkstermis werd opgeluisterd door koor en orkest, vierstemmig koor, orgel, trombone, hoorn, klarinet en vier violen. Het was prachtig! 

Studentenpastor

Als moderator Visser van Veritas in Utrecht in mei 1943 hoort van Harm’s vrijwillige aanmelding bij de Arbeitseinsatz en zijn vertrek naar Duitsland keurt hij dit in scherpe bewoordingen af en verbreekt hij alle contact. Pas als hij van de vader van Harm hoort hoe de vork in de steel zit biedt hij zijn excuses aan. Harm schrijft hierover aan zijn ouders:

9 juni 1943
Bovendien was vanmorgen uw brief daar van 31 mei. Ik ben blij dat de moderator tenminste heeft ingezien dat ik goed gehandeld heb. Er zal wel een briefje komen. U kunt hem echter uit mijn naam al vast wel mededelen, dat ik zijn optreden van 8 mei j.l. hem helemaal niet kwalijk neem, daar hij de toestand immers niet van die kant kon bekijken als waarin wij hem zagen.

In juni 1943 ontvangt Harm een brief van moderator Visser waarin hij zijn excuses aanbiedt. Wat later vraagt de moderator zelfs aan Harm of hij voortaan in Berlijn als plaatsvervangend studentenpastoor wil optreden voor alle Nederlandse katholieke studenten in Berlijn. Dit pastorale werk voor zijn medestudenten gaat veel tijd in beslag nemen. Harm verzorgt de correspondentie en heeft op gezette tijden contact met elke katholieke student afzonderlijk. Wat later houdt hij zelfs één keer per week een spreekuur. Een bijzonder netwerk van Utrechtse katholieke studenten zo ver van huis in vijandelijk gebied. Moderator Visser stuurt op gepaste tijden gestencilde getypte berichten naar Harm ter verspreiding onder alle parochianen: Samen vormen we één parochie. Bovenaan deze brieven is met de hand de naam van de betreffende student geschreven. Het lijken daardoor persoonlijke brieven ook door de aanspreekvorm jij en jou. Zoals bijvoorbeeld de aanhef in deze brief van 3 augustus 1943: Zeer ver zijn we uitelkaar verspreid. Ik ervaar het als een gemis dat alle contact weg is-en me dunkt dat het jou zoo ook moet gaan (…) laten we allen elkaar helpen, en jij zelf ook helpt mee. Span je in, en zet er alles op om juist in dezen zware tijd zo te leven en zo te doen dat je meehelpt onze studentenparochie te vormen tot een zuiver en sterk onderdeel van de prachtige gemeenschap der heiligen. Hand en groet, je pastoor P.M.Visser     
De brieven zijn verder veelal religieus van aard en bevatten weinig persoonlijke informatie.

Detail van een getypte brief van pastoor Visser die naar alle studenten wordt verstuurd met de naam van de betreffende student met de hand geschreven er boven in dit geval Beste Harm, ook de ondertekening is met een vulpen geschreven. Hand en groet, je pastoor P.M. Visser. Familiearchief Waterborg-Wijburg.

In Nederland trekt Pastoor Visser op zijn fiets met houten banden door het hele land om zijn studenten uit de parochie te bezoeken. Nog maar weinig Veritijnen verblijven na 1943 in Utrecht. Visser brengt zelf de gestencilde brieven rond, ook bij de ouders van ondergedoken Veritijnen.

In Berlijn onderhoudt Harm de contacten en verspreidt de brieven per post of brengt ze zelf rond. Harm schrijft zijn ouders in oktober 1943 dat hij maar druk is met dit studentenparochie werk: Mijn brief zal deze keer weer betrekkelijk kort moeten zijn, want ik heb een heleboel te doen. Onze moderator heeft mij aangesteld tot correspondent voor de Utrechtse Katholieke studenten in de afdeling Berlijn en Omstreken. En dat brengt natuurlijk een heleboel werk met zich mee. Zo heb ik gisteren al 27 brieven zitten tikken.Vandaag gaan die allemaal de deur uit, tenminste als ik voldoende enveloppen bij elkaar kan scharrelen. Dat is hier de grote moeilijkheid: aan enveloppen heerst hier een groot gebrek. Kunt u misschien zo spoedig mogelijk een stelletje van die I.B.P.T.T. enveloppen oversturen? Die zijn voor dit doel wel goed.

24 juli 1943
Daarna ga ik nog even naar de Mauserwerke en het Erwin Liek ziekenhuis om daar enkele kameraden de brief van de moderator te bezorgen.

15 oktober 1943
Het parochiewerk brengt veel werk met zich mee. Telkens als ik in de stad ben, bezoek ik meteen een van de jongens, die op mijn lijstje staan, voor zover ze tenminste niet te ver uit de buurt wonen. Regelmatig sta ik nu met de meeste jongens in contact. Gisteren heb ik mijn parochiecorrespondentie zover klaargemaakt en vandaag zal ik mij dus enige tijd bezig dienen te houden met de vermenigvuldiging van de adreslijst, die de moderator me gestuurd had van de afdeling ‘Berlijn en Omstreken’.

16 oktober 1943,
Ik heb nooit geweten dat het overtikken van adreslijsten zo’n vermoeiend werk was. Maar daar begint nu aardig schot in te komen en spoedig zal de hele parochiecorrespondentie afgewerkt zijn. En dan blijven alleen nog maar de lopende brieven te schrijven. Maar dat gaat snel genoeg.

Uit een brief van pastoor Visser aan Harm blijkt dat zijn algemene brieven goed worden gelezen en dat hij veel reacties daarop krijgt  van de andere studenten. Ik heb een stroom van antwoorden ontvangen, aldus Visser. Verder gaat Visser in Utrecht bij alle ouders langs van de in Berlijn tewerkgestelde studenten. En studenten die met verlof uit Berlijn even in Utrecht zijn wippen vaak ook bij de moderator langs. De hartverwarmende woorden van Visser geven veel studenten nieuwe moed. Over de studenten in Berlijn maakt Visser zich grote zorgen zo blijkt hem dat de meerderheid van alle studenten in Berlijn in grote moeilijkheden en gevaren of zelfs in ellende verkeert. Gevaren van lichamelijke aard, gevaren van ziekte en besmetting (…) grote levensgevaren door bombardementen, verschillende zelfs ternauwernood aan de dood ontsnapt (…) Maar Goddank! Van onze parochie zijn tot nu toe allen in leven (4 oktober 1943).

In november 1943 stuurt Visser een handgeschreven briefje naar Harm. Hierin stelt hij zeer tevreden te zijn met het parochiewerk van Harm. En: Een pracht adreslijst heb je ervan opgemaakt. Wel bedankt-en heb je die aan alle mensen toegezonden? Prachtig! (…) Harm! man! dank voor je werk en je ijver, ’t ga je goed  (…)

Handgeschreven briefje van pastoor Visser aan Harm Waterborg in Berlijn, dd 15 november 1943. Familiearchief Waterborg-Wijburg.

En op 15 januari 1944 nogmaals een handgeschreven briefje aan Harm: wat een verschrikkelijke dagen heb je doorgemaakt. En sinds je je brief schreef, zijn er nog een paar zware bombardementen gevolgd. Ik heb mezelf dikwijls afgevraagd: hoe houden mensen zoiets uit? En: Met Gerard Crone is het verschrikkelijk, is ’t niet? Als hij maar kracht heeft om het te doorstaan. Is hij nu in het ziekenhuis te Potsdam of niet? Je hebt het verduiveld druk met het aparte spreekuur erbij. Harm, ik wens je sterkte en kracht.

Achterkant van een handgeschreven briefje van Visser aan Harm d.d. 15 januari 1944. Familiearchief Waterborg-Wijburg.
Getypte brief van pastoor Visser aan alle studenten van begin 1944 met als P.S. Tot mijn grote vreugde (…) zijn alle studenten van onze parochie te Berlijn, nog in leven” HUA 782.799

Vanuit de puinhopen in Berlijn

In februari 1944 schrijft Harm via zijn ouders een brief aan moderator Visser ‘vanuit de puinhopen in Berlijn’ waarin hij  verslag doet van de situatie in Berlijn, van de katholieke studenten daar en van zijn werkzaamheden als arts.

Brief aan de Moderator:
Tot slot nog een woordje voor de moderator. Daar het niet mogelijk is om hem persoonlijk een brief te schrijven in verband met de beperkte postverzending, zullen we de brief maar gewoon hier neertikken en er bij hopen dat vader wel zo vriendelijk wil zijn om de moderator even telefonisch de boodschappen over te brengen. Het zal u wel niet verwonderen, dat door de grote bombardementen, die er in de laatste maanden hebben plaats gehad, van het onderlinge contact niet veel meer is overgebleven. Verschillenden zijn verhuisd, daar hun ziekenhuis in puin ligt. Andere zijn van fabriek veranderd of door hun fabriek naar andere plaatsen getransporteerd. Ik denk hierbij vooral aan de studenten bij de Mauserwerke. Die zijn voor een groot deel naar Oberndorf am Neckar verplaatst. Weer andere hebben de benen genomen en zitten momenteel hoog en droog (of liever gezegd ‘nat’) in  Nederland, o.a.  Bob Wiltink en Anton Goedemans, die op de dag van hun vertrek nog meegeholpen hebben om de laatste taaitaaimannen uit het kerstpakket op te maken. Voor zover ik weet zijn er onder de parochianen geen slachtoffers gevallen. Het ergste is er wel Gerard Crone aan toe. Die heb ik de laatste tijd, toen hij in het ziekenhuis lag, verschillende keren opgezocht. Die maakt het daar naar omstandigheden redelijk wel. Binnenkort zal hij echter wel terugkeren naar de gevangenis. Of ik hem daar nog kan opzoeken en wanneer hij er weer uitkomt, zijn vragen, die de toekomst besloten houdt.
Het is wel merkwaardig, moderator, maar buitenstaanders, d.w.z. mensen, die het zelf niet hebben meegemaakt, oordelen glad verkeerd over de bombardementen in Berlijn. Iedereen denkt: Hoe houden ze het uit?  Raken ze niet op van de zenuwen en slapeloosheid?  Het is om gek van te worden. Nee, mis! Zo denken we er helemaal niet over, althans de Nederlanders niet. In de eerste plaats denken we er weinig aan. We worden er pas aan herinnerd als de sirenes loeien voor de volgende ronde. En dan weten wij wat er gaat vallen, is niet voor ons bestemd, maar voor onze buren. Natuurlijk kunnen we zelf ook een bom op ons hoofd krijgen, maar als we er maar levend afkomen,laat de rest ons koud. Daarbij komt dat we allemaal heel goed weten dat we, althans de katholieken onder ons, onder speciale bescherming staan en door de hele parochie voor ons gebeden wordt. Misschien niet op dat bewuste ogenblik, misschien niet met bepaalde woorden of gedachten, maar we weten, dat de genaden op ons liggen te wachten, tot we ze nodig hebben. En dan worden ze ons met volle handen toegemeten. Dit weten, misschien in vele gevallen niet bewust, houdt ons hoofd koel en onze harten hoog. Natuurlijk ondergaan we ook de vrees, wanneer de bommen met allerminst liefelijk gefluit naar beneden komen suizen, om met een ontzettende explosie uit elkaar te kraken, zodat de muren van de bunkers schudden en de lichten uitfloepen. Dat is natuurlijk. Dat heeft iedereen, ook ieder dier. Dat is de drang om te leven. En bovendien kennen we nog, omdat we mens zijn, een bijzondere vrees. Want het zijn gedachten, die in een tiende seconde door ons hoofd gaan, maar die een film vol beelden te zien geven: hoe zullen we daar nog levend uitkomen? Vanzelf smeekt ons hart dan, dat deze kwelling toch spoedig voorbij moge gaan. En zo voor ons het laatste levensuur is geweest, dan moge de barmhartige God ons genadig zijn. Dan wordt men rustig. Heel rustig. Zo rustig, dat ik bijv. mijn notitieboekje uit mijn zak haal en een ooggetuigenverslag van de wedstrijd ga geven met een air, alsof me de hele zaak volkomen onpartijdig laat. Dat komt alleen door de zekerheid: wat er ook gebeurt, mij kan niets overkomen. Al valt er een voltreffer op de kelder: ik kom er uit.  Dood of levend! Of zegevierend over de dood. Maar zegevierend!  Natuurlijk is het voor de familieleden een bepaald onaangename gewaarwording, wanneer men zou moeten melden, dat ik bij een bomaanval om het leven was gekomen. Dat gevoel is ook voor mij niet bepaald gezellig. Maar daarvoor leven we nu eenmaal in een drukke tijd, waarin van alles kan gebeuren. Negen maanden zijn wij van huis en haard weg, negen maanden zitten we in een vreemd land, voor een deel onder hoogst levensgevaarlijke omstandigheden.  Rotterdam is in Berlijn tien maal gewroken!, maar eens keren wij weer, levend en wel, met vliegende vaandels en slaande trom, om onze nieuwe, oude studentenvereniging als een feniks uit haar as te doen verrijzen. Io Vivat.
Ons ziekenhuis zit op het ogenblik met een surrogaatdak te kijken, daar het op 26 november tot de daaronder liggende verdieping is afgebrand. Zelf heb ik aan de spuit gestaan en misschien wel daardoor kunnen verhinderen dat het fikkie verder zou gaan. Mijn laboratorium bestaat op het ogenblik uit een klein kartonnen doosje, met een paar kleine reageerbuisjes. Vroeger was het een statige zaal met tafels en kranen, broedstoven en centrifuge, rekken met flessen en een goed functionerende zuurkast. Maar ondanks deze primitieve hulpmiddelen gaat mijn werk verder. Men moet zich weten te behelpen. Jaap Schonk is indertijd met een stel patiënten, dat van het Rudolf Virchow ziekenhuis naar buiten werden getransporteerd, als arts meegegaan naar Schokken. Van genoemd ziekenhuis, dat in paviljoenstijl was gebouwd en ruim 2000 bedden telde, zijn op het ogenblik slechts drie kleine paviljoens voor de helft weer in gebruik genomen: de rest heeft brisantbommenvoltreffers gekregen of is tot de grond toe afgebrand. In ieder geval: onbruikbaar. Ik kwam er vroeger vaak, omdat we er onze bijzondere gevallen heen stuurden ter behandeling of ter onderzoeking.  Bovendien zaten er een flink stel collega’s, met wie je gezellig een boom kon opzetten. Die zijn verstrooid in alle windrichtingen.
Ik weet niet, of u plezier aan mijn brieven beleeft, maar ik heb bij mezelf het gevoel, dat ik u in de laatste tijd wel schromelijk heb verwaarloosd. Ik hoop, dat u me wilt excuseren, want er is veel te doen en artsen zijn er te weinig. Ik schat, dat we per duizend inwoners in Nederland tien keer zoveel artsen hebben als hier. Op donderdag tussen Kerstmis en Nieuwjaar was mijn collega op vakantie. Toen behandelde ik in het spreekuur van half twee tot half zeven 118 patiënten. En de rest is naar evenredigheid. Van de kant van de Mauserstudenten, waar ik vroeger nog menige patiënt moest gaan cureren, heb ik de laatste tijd niet zo veel meer te doen. Van de 185 studenten, die in mei 1943 bij Mauser kwamen, zijn er zeggen en schrijve nog 34 over. De anderen zitten voor het overgrote deel al weer in Nederland.Toen ik naar Duitsland kwam, ging ik hier eerst wat ‘doktertje spelen’. Op het ogenblik, en dat is eigenlijk einde november, ben ik dokter geworden, niet volgens de titel, maar innerlijk. En helemaal. Vroeger zag ik gevallen. Tegenwoordig zie ik patiënten, die de een of andere kwaal hebben, en door die kwaal helemaal ziek zijn, ook hun ziel is ziek. Ik voel me verplicht om ze die hulpmiddelen toe te dienen, die hun lichaam en ziel weer gezond maken. Soms ga ik in mijn onervarenheid wel eens te ver. Ik heb er o.a. een ongelukkige liefde aan te danken, die achteraf beschouwd eigenlijk heel gelukkig was. Maar dat komt er van als je met hart en ziel je beroep uitoefent. Ook hier is de hulp van boven, niet in het minst door het gebed van mijn ouders, een weldoende steunpilaar geweest, om mijn evenwicht te helpen bewaren. 
Moderator, ik heb genoeg gezwamd en ik ga pitten. Namens alle parochianen uit de kring ‘Berlijn en omstreken’ wens ik u het beste voor de toekomst, sterkte voor uw moeilijke taak en dan maar weer: Tot spoedig weerziens! Hartelijke groeten uit de puinhopen van Berlijn, uw Harm.

In 1944 wordt ook pastoor Visser gedwongen onder te duiken. De Sicherheitsdienst zit hem op de hielen.

Tekening van Harm Waterborg van de puinhopen in Berlijn naar aanleiding van het bombardement op 8 maart 1944. Familiearchief Waterborg-Wijburg.
Deel 3 (slot)

In het volgende deel Harm Waterborg (3) komt aan bod hoe de brieven van Harm naar Nederland worden verzonden, start zijn briefwisseling met Ruth Wijburg uit de Abel Tasmanstraat in Transvaal (Lombok), zijn toekomstige echtgenote en vlucht Harm naar Nederland en komt hij terug in zijn geliefde Oog in Al. Hierna moet Harm onderduiken in Lombok waarna uiteindelijk de lang verwachte bevrijding volgt met feest op de Dantelaan en in de wijk. Harm en Ruth zullen na de oorlog nog enkele jaren op de Dantelaan 53 wonen voor zij naar Venlo verhuizen.

Epiloog

Na de oorlog hebben Jan Ockeloen (1917-2016) en Harm Waterborg (1919-1997) geen contact meer met elkaar. Jan en Loekie (1921-2014) trouwen 26 juli 1944 in Utrecht. Jan wordt Vennootschaps-Afdelingsdirecteur van de AMRO Bank en ze gaan in Den Haag wonen. In 2007 worden tien jaar na Harm’s dood zijn brieven gepubliceerd. Deze publicatie komt Jan Ockeloen ter ore. De dochter van Jan Ockeloen neemt daarop contact op met Ruth Waterborg-Wijburg, de echtgenote van Harm. Er komt een afspraak bij Jan Ockeloen thuis in Den Haag. Ruth wordt vergezeld door haar dochter Annemiek. Ze bekijken samen de uitgave van de brieven van Harm Waterborg  en Jan Ockeloen neemt nog plaats achter zijn witte Steinwayvleugel. De piano uit de Hohenstaufenstrasse in Berlijn, waar Harm over schreef, is er nog steeds en staat nu bij de dochter van Jan en Loekie.

Ruth Waterborg-Wijburg op bezoek bij Jan Ockeloen in Den Haag waarbij Jan op de piano speelt. Foto: Familiearchief Waterborg-Wijburg.

Loekie schrijft in 2008  aan Ruth Waterborg: Jan leest nog steeds graag in de brieven van Harm en wij hebben het vaak over het gelezene. Wie het niet meegemaakt heeft kan zich onmogelijk in die wereld van toen inleven. En zij vertelt nog op een ander moment over haar vader Theo Rijnders: In 1952 is mijn vader voor zijn verzetswerk onderscheiden met de Verzetsmedaille in zilver. Omdat hij zoveel tijd aan zijn illegale werk had gegeven en zijn gezondheid ernstig was aangetast en zijn financiële reserves vrijwel volledig waren opgebruikt, werd hem en mijn moeder later een ruim staatspensioen toegekend, dat door de Stichting 1940-1945 werd uitgekeerd. Hijzelf heeft hiervan slechts kort kunnen profiteren. Hij overleed in 1954, maar wist mijn moeder in financieel veilige omstandigheden. Later, in de vijftiger jaren, had mijn moeder nog de eer te worden uitgenodigd om de krans te leggen bij het Oorlogsmonument op het Domplein in Utrecht.

Jan Ockeloen en Ruth Waterborg-Wijburg bekijken samen bij Jan thuis de uitgave Dagboekbrieven van Harm Waterborg. Foto: Familiearchief Waterborg-Wijburg.

Adriaan Millenaar van het Zweeds Gezantschap is na de oorlog voor de Parlementaire Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 verschenen en heeft verslag gedaan van zijn activiteiten. Hij heeft toen ook Theo Rijnders genoemd. Millenaar vertelt aan de Enquêtecommissie: Een andere landgenoot, wiens naam in dit verband niet mag worden verzwegen, is de te Berlijn gevestigde koopman M. Rijnders. Deze wist zich steeds op handige wijze een doorlopend visum voor het passeren van de Duitsch-Nederlandsche grens te verschaffen en is eenige malen in de meest urgente gevallen uitsluitend voor z.g. Schutzmachtaangelegenheden naar Nederland geweest. De Heer Rijnders heeft voorts aan talrijke in nood verkerende Nederlanders (o.a. ook gevluchte krijgsgevangen officieren) onderdak verleend.(De voorletter ‘M’ van Rijnders moet zijn “Th”.)

Op 27 augustus 1948 wordt aan Millenaar de medaille van verdienste in zilver van het Nederlandse Rode Kruis verleend en op 30 april 1952 wordt hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Bij zijn vertrek uit Berlijn in 1964 hangt Willy Brandt, de burgemeester van Berlijn, hem de versierselen om behorend bij het ‘Grosses Verdienstkreuz des Verdienstordens der Bundesrepublik Deutschland’.

Pastoor Visser. Visser viert in 1945 zijn 25 jarig bestaan als priester. In de krant wordt hij een bijzonder mensch genoemd met een helder denkvermogen en zeer geschikt voor zijn taak met betrekking tot de studentenzielzorg. In het ‘Eigen Huis’ van Veritas wordt op 15 augustus 1945 een receptie voor Visser georganiseerd. In 1956 neemt Visser afscheid als studentenpastoor bij Veritas om pastoor in Soest te worden. Hij wordt bij Veritas opgevolgd door kapelaan Vendrik.

Uitnodiging 25 jarig jubileum als priester van moderator Visser op 6 augustus 1945. HUA 782.394
Receptie moderator Visser -25 jaar priester- in het Eigen Huis van Veritas. Visser (links op de foto) wordt gefeliciteerd door pater S. van Nuenen. HUA 833167

Van de Veritijnen die in Duitsland tewerkgesteld waren komen velen weer veilig terug in Nederland.

Bronnen:
Foto bovenaan: Tekening van Harm Waterborg naar aanleiding van de bombardementen op 8 maart 1944. Familiearchief Waterborg-Wijburg.
Dagboekbrieven, Berlijn 1943-1944 Harm Waterborg, Brieven en dagboek van Harm Waterborg (1919-1997) verzameld en bewerkt door Wim Rhebergen en Ruth Waterborg-Wijburg, Venlo 2006. Produktie Jakob Harm Waterborg, Overland Park, KS, USA. De oorspronkelijke brieven en briefkaarten van Harm Waterborg liggen bij het NIOD.
Gesprek met Ruth Waterborg-Wijburg 25 september 2018
Brieven pastoor Visser aan Harm Waterborg 15 november 1944 en 15 januari 1944, familiearchief Waterborg-Wijburg.  
De Tijd 14 augustus 1945 en 25 oktober 1956
Rhegie, website van Wim Rhebergen www.rhegie.com
75 jaar Veritas, gedenkboek Utrecht 1964, redactie Frank Seller e.a.
Ontsnapping uit Duitse krijgsgevangenschap door Luitenant ter zee der lste kl. H. Isbrucker op 17 Januari 1944. eindhovenfotos.nl/Harry_Isbrucker
NIOD 288 Adriaan Millenaar
Historiek: Flaktorens in Berlijn, van Koen Goeminne en Pieterjan Vink en Berlijnse dierentuin kreeg het zwaar te verduren,van Enne Koops.
Bombing of Berlin during World War II, Wikipedia
RAF History Bomber Commands Campaign Diary 1943-1944
Warfarehistory network

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lees verder

Op nummer 10 ! Donderdag 7 februari  is de definitieve uitslag bekend gemaakt van de Geschiedenis Online Publieksprijs. Oog in Al in Beeld is uiteindelijk in de landelijke top 10…

Een geschiedenisverhaal in drie delen. Harm Waterborg (19 jaar) is een student geneeskunde. Hij komt eind 1938 met zijn ouders op de Dantelaan 53 wonen. Tijdens de oorlog weigert hij…

Als je vanuit Oog in Al vanaf de Mozartbrug naar rechts de Leidseweg op kijkt, vallen je al snel alle bouwactiviteiten op van projectontwikkelaar J.P. van Eesteren rond het project…

In april 1955 gaat de eerste paal de grond in voor een prachtig modern schoolgebouw aan de Cervanteslaan 1, hier komt de Spinozaschool. De school komt vlak naast de Spinozabrug…

'Voor, achter je, overal zaten Duitsers' Aldus een bewoner uit de Brahmsstraat. Want bewoners van Oog in Al krijgen tijdens de Tweede Wereldoorlog te maken met de komst van veel…

In het voorjaar van 1948 verhuist de Vlaamse familie van Istendael van Brussel naar Utrecht, Oog in Al. Geert van Istendael zal jaren later hét gezicht worden van de Belgische…

Het is dit jaar precies honderd jaar geleden dat de gemeente Utrecht in 1918 de buitenplaats Oog in Al kocht van de laatste bewoner Pieter Hendrik van den Broeke. Het landgoed…

Als het stevig heeft gevroren wordt er bij de Munt op het Merwedekanaal geschaatst. Vroeger was dit anders en was het Merwedekanaal een druk bevaren scheepvaartroute en werd deze zoveel…

Als je over de Spinozabrug Oog in Al binnenkomt,  zie je al heel snel aan je rechter hand een enorme wandmozaïek op de kopse kant van de gele flat aan…

Ruim 100 jaar geleden opende het eerste en enige homeopatische ziekenhuis in Nederland zijn deuren op de plek waar tot voor kort het Oudenrijn Ziekenhuis stond. Of eigenlijk beter, waar…

Dick en Irene Bruna komen in 1953 in Oog in Al wonen. Ze zijn net getrouwd. Dick is op dat moment 26 en Irene 19  jaar oud. Hun adres wordt…

We lopen of fietsen er regelmatig langs, het beeld 'de liggende vrouw' van Han Wezelaar (1901-1984). Dit beeld staat bij de ingang van Park Oog in Al tegenover de Beethovenlaan.…

In februari 1939 komt op de hoek van het nieuwe winkelcentrum in de Händelstraat op nummer 73 een filiaal van Albert Heijn. Als je de foto uit 1958 hierboven goed bekijkt zie…

De Muntbrug is een ijzeren draaibrug over het Merwedekanaal en dateert uit 1887. Eigenlijk heette de brug eerst Leidsche brug. Want deze lag aan dé uitvalsweg naar Leiden: de Leidseweg.…

In 1952 verschijnt er iets nieuws in Oog in Al: de drijvende school ‘’de Ark”. (meer…)

Een heerlijk uitje om de stad even te ontvluchten was vanaf 1923 een boottochtje naar Hotel Café den Hommel in de gemeente Ouden Rijn. Den Hommel (aan de Leidsche Straatweg,…

Met warm weer wordt er tegenwoordig gezwommen bij De Munt. (Ook al is hier een negatief zwemadvies van kracht). Vroeger waren er meer openbare zwemplekken in de buurt. De belangrijkste…

Op de voorgevel van het hoekhuis op de Mozartlaan nummer 1 kun je de eerste steen bewonderen. Deze steen is in september 1923 onthuld door de SDAP wethouder van openbare…

Het Hert is terug! Het beeld Het Hert heeft sinds kort een nieuwe plek en wel rechts onderaan het fietspad dat over de Dafne Schippersbrug loopt. De jaren ervoor stond…